VOORAF: Na de eerste versie van deze vertelling hield ik het gevoel dat er nog ‘iets wezenlijks’ aan ontbrak. HendrikJan zegt erover:
“Simon stuurde me de vertelling toe, een week later gevolgd door een definitieve versie. Er was in grote delen van de eerste versie niet eens zoveel veranderd. Maar na de tanka over ‘Kerkhofhagen’ had Simon twee alinea’s toegevoegd; alinea’s waardoor de sfeer waarin de vertelling zich voltrekt, veranderde (De toevoegingen – ook een toegevoegde laatste zin – staan in het groen én zijn ook onderstreept).”
Om wat er toe doet
Hij draait zijn draaistoel om, keek vroeger zomaar wat naar buiten. Al zestien jaar hetzelfde uitzicht. Maar sinds de laatste jaren – nog drie te gaan – ziet hij hoe anders de herfst zich in iedere boom aandient en hoe geleidelijk – of heftig in een storm – allerlei blad valt; daarmee de uitgesleten paden vult. Hij volgt hoe bladerloze bomen in de winter tot hun recht komen. Ze zijn dan meer dan enkel leeg gewaaid. Het is dat kalm lege, dat puur kale.
Hij wandelt elke werkdag door de middenstandswijk naar en van zijn werk; neemt naar huis wel eens de omweg door het dorpspark met twee vijvers, veertien beuken en wat grasperken; dit alles – een tiental hectaren – zo lang al danig verwaarloosd; los daarvan zo mooi ánders in elk seizoen. Op een van de groene bordjes met drieregelteksten staat:
Een oud wandelpad
– rijk aan steenmos en gaten –
onder vroege sneeuw.
Hij beseft ter plekke dat hij weinig aan zijn jeugd terugdenkt: jaren als enig kind in een huis buiten het dorp, zijn vader vroeg overleden, alleen met een moeder en grootouders.
~ ~ ~
Het huwelijk met Yelena bleef kinderloos; vanwege haar. Zij maakte hier een steeds groter zelfverwijt van en miste steun, begrip en troost van haar man. Hij wist hier niet mee om te gaan. Zij reisde af naar haar ouders in Moskou; ging na twee jaar naar een streng klooster, deed noviciaat en legde de eeuwige gelofte af. Niemand hoorde sindsdien nog over haar. En hij ging tóen pas, béter ook begrijpen dat het in hun jaren niet alleen om het verlangen naar of gemis van een kind ging, maar allereerst om een gezin in een vertrouwde buurt.
Jaren later maakt Erva, zelfs decennia jaar jonger dan hij, werk van hem; vertelt – als zij merkt hoe mooi hij ze vindt – Marokkaanse verhalen – en raakt door zichzelf gepland in verwachting. Hun samenwonen gaat echter steeds stroever; wordt zelfs saai. Ofwel: zij verlaat hem voor een ander: zijn collega. Dit is hem volkomen ontgaan. En zij doet wat zij wil doen: zélf weggaan. Hij gunt hem haar wel; Ad is een goedmoedige man. En achteraf bezien: hij hield op zijn wijze best van haar, liet het daar te veel bij; noemde haar soms ‘m’n beste vriendin’. Zij haalde dan licht haar brede schouders op; gromde ook wel iets.
Zijn zoon Aref, hun enig kind, had hem ervoor gewaarschuwd: ‘Pa pas op!’ Hij vroeg waar hij zich eigenlijk mee bemoeide; wist dat – besefte hij naderhand – zelf ook niet helemaal. Hij bracht het op om zich bij zijn zoon te excuseren. Die knikte enkel; iets tussen ja en nee. Als ze dingen doen, zoals het aanrecht vervangen, de lange gang witten, de tuin winterklaar maken, gaat het redelijk tot goed tussen hen; nee, zelfs prima; maar een gesprek, ho maar. Tot het moment dat een vers in het dorpspark bij hem binnenkomt:
De stilste stilte
– nergens winters bladgeruis –
waartoe dan die knoppen?
Merkwaardig, een simpele, toch wel verrassende vraag die hem tot nu toe is ontgaan; waar hij ook nooit écht bij stilgestaan zou hebben of er alleen een ‘Wat een vraag zeg!’ bij zou denken. Tot dit moment, misschien zelfs dierbaar moment; door de eenvoud ervan.
Natuurlijk, Aref gaat bij zijn moeder wonen, krijgt er een thuis bij; met haar partner – Ad, een verwoed golfer. Binnen korte tijd leert hij hem wat golf in essentie is: a mental game. ‘s Zondags gaan ze ‘voluit’ de baan in. Maar, na het VWO vertrekt Aref naar Maastricht, studie epidemiologie; en gaat óp in het studentenleven. Na dat roerige bestaan brengt hij weer weekenden thuis door, golft; belt zijn vader meer en bezoekt hem ook wel eens.
~ ~ ~
Intussen maakt zijn vader tijd vrij voor lange bergwandelingen, van hut naar hut, ieder seizoen op de winter na. Menig weekend zit hij – lid van een kanaalvisclub – uren aan het water; wint wel eens een prijsje. En kan het goed vinden met een medevisser die dicht in de buurt woont. Zij gaan om de dag ’s morgens een uurtje hardlopen; maken weleens een ballonvaart. Op zondag om het weekend lunchen ze bij elkaar, vegetarisch; gaan op het plaatselijk mannenkoor; bas/bas-bariton; doen elke winter aan dagenlang langlaufen.
Met iets van een zucht slaat hij het blad van de langwerpige dagagenda om, ziet de lange reeks met namen van de cliënten voor morgen. Zijn sportfysioklanten. Dit is wat er toe doet. Hij kent ieder bij hun klacht; min of meer lastige kwaal; de voortgang en afronding; en vindt dat meer dan genoeg. Hij wordt een stille kracht genoemd; de beste in zijn soort.
Zeker, hij maakt nogal eens moeilijke, pijnlijke dagen door, nachten met nachtmerries, heeft zware weken; twijfelt aan veel, soms alles – leest dan in het dorpspark bij de uitgang:
Kerkhofhagen
– windvlagen jagen er doorheen –
steeds die siddering;
en in de loop der jaren
schuift korstmos over oude graven.
~ ~ ~
Zijn strak georganiseerde dagelijkse werkzaamheden. Onderaan in de voetnoot van de dagagenda staat: ‘Vriendschap verdubbelt vreugde en halveert smart.’ Francis Bacon, 1561-1626. Dat gold toen al en zal wel zo blijven, gaat door hem heen. Waarom ook niet? Nog drie jaar te gaan; als sportfysio; en al die tijd in dezelfde kamer met hetzelfde uitzicht, met dezelfde massagetafel.
De tanhaibun blijft als onaf voelen, vraagt blijkbaar nog ergens om. Maar wat? Tot het moment dat ‘het’ er is. Het moment van (het invoegen van) een creatief inzicht na de tanka over ‘Kerkhofhagen’. De tanhaibun wordt dan afgerond met een tweetal in te voegen alinea’s; en – ook wezenlijk: de laatste zin.
Zeker, hij maakt nogal eens moeilijke, pijnlijke dagen door, nachten met nachtmerries, heeft zware weken; twijfelt aan veel, soms alles – leest dan in het dorpspark bij de uitgang:
Kerkhofhagen
– windvlagen jagen er doorheen –
steeds die siddering;
en in de loop der jaren
schuift korstmos over oude graven.
Om de zoveel tijd gaat hij naar het openbare en katholieke dorpskerkhof; zij grenzen aan elkaar. En juist ook op de dagen, ook wel nachten met slecht weer bezoekt hij de beide kerkhoven, staat dan bij menige zerk korter of langer stil, geeft de steen een welgemeend schouderklopje terwijl het stormt, regen neerslaat, hagel striemt of er een onweer overtrekt. Hij gelooft niet in een later of zoiets, maar zolang de overledenen in hem aanwezig zijn, zijn zij er nog; in gebeurtenissen, in van horen zeggen, in wat zij met elkaar deelden.
Vóór hij weggaat, loopt hij naar het familiegraf van zijn grootouders en ouders – met een grote steen waarin twee lange barsten; en inderdaad met steeds meer korstmos dat in de seizoenen en met wisselend weer er zo anders, ook in hun veelkleurigheid, uit kan zien; en toch een soort tijdloosheid uitstraalt; of misschien beter: om buitentaligheid vraagt.
~ ~ ~
Onderaan in de voetnoot van de dagagenda staat: ‘Vriendschap verdubbelt vreugde en halveert smart.’ Francis Bacon, 1561-1626. Dat gold toen al en zal wel zo blijven, gaat door hem heen. Waarom ook niet? Nog drie jaar te gaan; als sportfysio; en al die tijd in dezelfde kamer met hetzelfde uitzicht, met dezelfde massagetafel; en voor langer – ooit begonnen met kanaalvisserij – met hem.
Resonantie – Het omslagmoment
HendrikJan Houthoff
De vertellingen van Simon roepen een gevoel in me op. Dat komt niet door de verhaallijn – de inhoud –, maar door de manier waarop Simon het vertelt. Of preciezer, door wat hij in het vertelde onverteld laat. De eerste zin in een mooi essay van Maurice Merleau-Ponty luidt ‘De exacte wetenschappen ontrafelen dingen, maar weigeren om erin te wonen’. Bij Simon is dat omgekeerd: hij woont in de vertellingen, maar weigert ze te ontrafelen. Dat doe je zelf, op je gevoel.
Simon beschrijft in deze vertelling de sfeer waarbinnen het leven van de hoofdpersoon zich afspeelt. Binnen die sfeer rijgen de gebeurtenissen zich aaneen: de sfeer kadert de feiten. Tijdens het lezen versterken zinspelingen en teksten op bordjes die sfeer. Zinspelingen als ‘nog drie te gaan’ of ‘dat kalm lege, dat puur kale’. En de haiku en tanka op bordjes in het park. Ze sluiten naadloos aan bij waar de hoofdpersoon over mijmert. Maar staat dat daar ook zo? Of leest hij, buiten zichzelf, wat binnen in hem omgaat? Ik proef de sfeer waarin het leven van de hoofdpersoon zich voltrekt.
Deze vertelling gaf me een bijzonder inzicht in hoe zo’n sfeer de gebeurtenissen onbewust bij mij kan inkleuren. Simon stuurde me de vertelling toe, een week later gevolgd door een definitieve versie. Er was in grote delen van de eerste versie niet eens zoveel veranderd. Maar na de tanka had Simon twee alinea’s toegevoegd; alinea’s waardoor de sfeer waarin de vertelling zich voltrekt, veranderde.
De eerste versie bracht me in de sfeer van een bestaan dat zich voortsleept, ‘nog drie te gaan’. Van de sleur van een leven waar een grauwsluier van berusting hangt over de kleine gebeurtenissen waar het leven zo vol van is. Een leven dat zich voortsleept in het vullen van een leegte met mijmeringen en activiteiten. Een leven waarin het hier-en-nu verdwijnt in de mist van een lang verleden en een berustende toekomst. Een leven waarin activiteiten geen doel maar middel zijn. Wandelen, hardlopen, vissen of zingen om een leegte te vullen. Een leven waarin de hoofdpersoon niet leeft in-en-vanuit zijn eigen lichaam, maar hulp biedt bij de lichamelijke ongemakken van anderen, als sportfysio. Al lezend werd ik er treurig, treuriger, zelfs verdrietig van.
~ ~ ~
Wanneer ik de definitieve versie lees, vormen die twee alinea’s na de tanka een omslagmoment. Bijna alles in het voorgaande blijft hetzelfde, maar de sfeer waarin de vertelling zich voltrok, verandert. Wat eerst de sleur van een zich voortslepend be-staan in me opriep, wordt nu zachter. Dat kalm lege, dat puur kale aan het begin van de vertelling krijgt nu een subtiele ondertoon: de warmte van een kloppend hart. De treurigheid die eerst als een grauwsluier over de vertelling (en over mij) hing, is verdwenen; heeft plaats gemaakt voor het stille genieten van kleine dingen; zelfs van het verrijkende van de band met een medevisser. De hoofdpersoon leeft zijn leven zoals het zich aan hem voltrekt. Omdat de dingen zijn zoals ze zijn.
Wat staat in die twee alinea’s na de tanka? Wat doet bij mij de beleving van de sfeer waarin de vertelling zich voltrekt omslaan? Dat is het schouderklopje op de zerken van de dorpskerkhoven. Als een buitentalige bemoediging aan hen die in zijn gedachten voortleven. Het werkt bij mij als een flits van intuïtieve bewustwording. Ineens wordt zijn sfeer ook mijn sfeer. Waar ik eerst afstand had genomen tot de hoofdpersoon, begin ik er nu veel van mezelf in te herkennen. Ook ik heb enkele medevissers in mijn leven. Echte vrienden, al benoem ik dat maar zelden. Het is zoals het is.
Die omslag in de beleving van de vertelling zet me ook aan het denken. In de eerste versie heb ik onbewust afstand genomen van de hoofdpersoon. En hoewel in de tweede versie verder weinig veranderd is, blijkt die afstand plaats gemaakt te hebben voor een gevoel van nabijheid en verbondenheid: ik zou het zelf kunnen zijn. Mijn oordeel bij de eerste versie blijkt voorbarig geweest te zijn: een vooroordeel. Wat me overkomen is, onderschrijft een thema in de filosofie van Hans-Georg Gadamer: ieder oordeel berust op een aanvankelijk vooroordeel.
En dan is er nog iets waar ik me bewust van word. De omslag komt bij mij niet door scherpzinnigheid of een objectieve analyse. Maar juist door het tegenovergestelde: een subjectief meer betrokken beleving van de sfeer waarbinnen de vertelling zich afspeelt. In de analytische filosofie gaat men ervan uit dat je door objectiviteit en een rationele benadering innerlijke vooroordelen kunt ontzenuwen. Maar zo blijkt het bij mij dus niet te werken. Althans niet bij deze vertelling.
En ik ben er stellig van overtuigd dat dit ook meer in het algemeen geldt. Dat mijn subjectieve beleving altijd het kader vormt waarbinnen ik gebeurtenissen objectiveer. En verandert mijn subjectieve beleving, dan verandert ook de manier waarop ik de gebeurtenissen interpreteer. In de wisselwerking tussen mijn hoofd en mijn hart – tussen mijn verstand en mijn innerlijk – blijkt mijn hart altijd een doorslaggevende rol te spelen. Onbewust en op de achtergrond, dat wel.
~ ~ ~
‘Sfeer’ heb ik in deze beschouwing gebruikt in de betekenis van de mens als sferen-bouwer, zoals Peter Sloterdijk dat filosofisch heeft uitgewerkt: de sferen waarbinnen het leven van de mens zich afspeelt. De vertellingen van Simon zijn sfeertekeningen. Niet de hoofdpersoon, vaak onbenoemd, maar de sfeer waarin het leven van de hoofdpersoon zich voltrekt staat centraal. En in de loop van de vertelling dat ook samen met de medevisser die zijn metgezel wordt.
Zouden de hoofdpersoon en de medevisser een naam krijgen, dan wordt de vertelling een feitelijk relaas over gebeurtenissen in hun levens. Blijven beiden naamloos, dan wordt de sfeer het hoofdthema, ook in de wisselwerkingen tussen hen. De vertellingen nodigen je uit om in die sfeer te komen, je mag zeggen: geraken. Om aldus te voelen hoe we binnen onze sferen met elkaar verbonden zijn zoals de hoofpersoon en de medevisser. Vaak meer verbonden dan we vanuit het afstandsprincipe van een rationele benadering voor mogelijk houden. Daar had ik, als doorgewinterde academicus, dan wel die twee alinea’s na de tanka én de laatste zin van de vertelling voor nodig. Als omslagmoment.
HendrikJan Houthoff – www.hendrikjanhouthoff.com
Auteur van ‘Wat het lichaam weet’, Academische Uitgeverij Eburon, Utrecht, 2023
Vorig taalduet: Voorbeelden
