Granada

Een landschap- en stedentrip – altijd weer vanuit intense belangstelling voor de natuur en cultuur, zeker hier in het Zuid-Spaanse; met als adagium: ‘Ik zou het landschap willen zijn dat ik beschouw.’ Simone de Beauvoir.

in de schemering
wordt het landschap langzaamaan
een wereld op zich

Granada, Andalusië, de stad met zijn oudjoodse naam. Gárnata al-yahud: Granada van de Joden. Spoedig echter overvleugeld door de Berberse vorst Zawi ibn Zivi, 11e eeuw, die deze stad groot maakte met tal van wijken. In korte tijd van dorp naar stad en wat hiermee óók samenvalt, ontheemding van ‘de plaatselijken’, van gedragen tradities naar steeds weer tijdsbreuken en diep gedesillusioneerd wegtrekken of bruut uitgewezen worden.

Driemaal, om mee te beginnen, neem ik de wiegelende citybus voor een eerste, overweldigende, sfeerbepalende indruk: de wijken en hun karakteristieke geuren en kleurstelling, gebouwen die sinds eeuwen aan hun eigen geschiedschrijving doen en hun – ook droeve – verhalen vertellen.

Straten van Granada

Foto: Pierre Emanuel

door al die armoe
onder de voet gelopen,
deze herfstmorgen

Taniguchi Buson, 1715-1783

De lichtval bij avond, de koelte erna. Vooral de ontheemden die geen eigen plek hebben; die desondanks een slaapplek weten te vinden, in een uithoek, onder een plataan, ‘ergens nergens’ de leegheid van hun bestaan ondergaan; ver weg van aanvaarden.

En die rijk gevulde terrassen in allerlei soorten en maten, toeristen ten over, beweeglijke obers, menu na menu en de fraaie glazen voor wit en rood. Weelde.

Dan de volgende dag weer een park, lang rondgaan en stilstaan in een kathedraal, in een achterliggende kapel vertoeven, voelen hoe gelovigen, vooral de ouderen – ‘nog slechts in zichzelf wonend’ – in het zwart gekleed, in gebed verzinken. Buiten weer de vaak naargeestig blaffende honden horen, ook van ver weg; de felle, dwingende sirenes. Alle uitersten; dicht bijeen; hier, nu.

de stad met torens,
parken, behuisde heuvels
– en ontreddering

Deze stad raakt me diep – en zet dan dít in gang: zo ongedwongen mogelijk duidingen, beelden, vooral een zegging zoeken voor indrukken, mijmeringen, beleving. Maar kan ik nog waarachtig opgaan in het grootse, pure, tijdloze? Bestaat dat ‘buitentalige’ voor ons mensen nog wel?

Of is dat wat de taal ons ontnomen heeft? De zone van het taalvrije, juist dat wat geen taal behoeft: de stiltes tussen een bries door de levensoude, zo hoofse, hoge eucalyptussen. De onbeweeglijke, bestofte cactussen: de tijdloze plekken die ongemerkt in onze tijdsbeleving meegaan.

het ingekeerde
onder dit daagse leven
dat geen taal behoeft

Een schilder die in een verweerde muur de eeuwen laat spreken, met daarboven het Alhambra; een gitarist die flamenco boven de tijd doet uitstijgen; een priester die de hostie ten hemel heft. De oude vrouw die ineengebogen zit, bedelt, enkel door je aan te kijken. De jong verdoolde die in zichzelf neuriet, deint, intussen langdurig naar zijn onbruikbare handen kijkt, naar zijn handen die hem nu al zo vreemd, reeds afgedaan voorkomen.

zijn blik steeds elders,
hier toeven maar niet thuis zijn,
doelloos onderweg

Vele heiligenbeelden met afgesleten gelaat, krachtige beschermengelen, de listig duivels ogende grimassen, de verworden lijven met slaande schorpioenstaarten. Je gaat eeuwen in de tijd terug, dan weer schoorvoetend, dan weer in een achtbaan: je voorstellingsvermogen wordt getart tot aan de grens van geloofwaardigheid of het te zeer opgeklopte.

Nog verder, almaar verder: de sultanaten, de Moorse medina, hun verfijnde architectuur.

Maar daar evenzeer tussendoor de vele duizenden studenten, ijverigen en al die vrijbuiters van deze en komende generaties. Kon, kon ik dán nog maar eens terugkomen. Na een eeuw of pakweg een paar eeuwen. Zeker, verbijstering – ook nog herkenning?

Brug in Granada

Foto: Pierre Emanuel

het jaar trekt over –
door de wijde hemel gaan
ruisende winden

Gyodai, 1732-1793

 
 

Vorige vertelling: Het gebeurt je. Echt onderweg.          volgende reflectie: Monster en bron