Een streekziekenhuis. De internist, achter zijn bureau, neemt haar in zich op, een intussen hoogbejaarde vrouw, sinds acht jaar weduwe. Zij zit links opzij van hem en wacht af. Hij kent haar sinds zijn praktijkvoering hier, negentien jaar geleden. Dat schiep meer dan een band. Zeker ook een gevoel van respect over hoe zij in het leven staat en er voor anderen wil zijn, nu allereerst voor haar dochter. Ook haar tanende gezondheid na haar mans overlijden wordt doorgaans aanvaard; met de pijn en het ongemak.
Over het water
dat stroomt, de jaren die gaan,
een bloesem die vrucht wordt,
hoor je nooit iemand zeggen:
‘Laat het maar; wel genoeg zo!’
Ariwara no Narihira, 825-880
Na zijn opleiding tot basisarts is de keuze voor specialist geriatrie een vanzelfsprekende. Met zijn oma, psychiater, had hij hier menig keer gesprekken over. Zij ontwikkelde zich tot psychotherapeut voor de ouder wordende en oudere mens.
Elke maand gaan zij samen uit eten en hebben het hier dan vaak over. In twee werkstukken was het thema eveneens het samengaan van somatische en mentale ouderenzorg. In overige contacten, zoals bij zijn ouders thuis of overige familie en vrienden, willen zij samen met de anderen zich bezighouden met elkaar, met het dagdagelijkse en vele andere interessante discussies.
wanneer zij vallen,
hoe licht en vertrouwelijk
– klaprozenkelken
Ochi Etsujin, 1656-1702
In zijn spreekuur nu. Zij verlegt haar handtasje op haar schoot; kijkt op. Mevrouw Verhoorn, een zeldzame naam; mevrouw Verhoorn-Ditzmar, ook zeldzaam. En kijkt hem aan.
‘Uw dochter zou …’.
‘Mijn dochter staat ergens met pech onderweg.’
‘Vervelend voor haar.’
‘Dat zij pech heeft of er niet is?
‘Beide, mevrouw.’
‘Wat aardig van u.’
Ieder kijkt dan naar een eigen terzijde en weer naar elkaar.
‘Ja, want weet u …’
‘Ja, zegt u het maar.
‘Ik bedoel te zeggen …’
‘Het is me duidelijk.
Zoals u naar mij kijkt, heeft u het al gezegd.
Daar hoeft mijn dochter niet per se bij te zijn;
misschien straks wel; voor haar en mij.’
Zij praten nog even door, knikken dan naar elkaar. Hij begeleidt haar naar de deur, legt heel even een hand op haar smalle schouders.
aan de deur staan ze
nog even – wijzen elkaar naar
een vlucht ganzen
Zij schuifelt zijn kamer uit; kijkt in de wachtkamer uit naar haar dochter. In een rek liggen folders over gezondheid vanuit het ‘Beter voorkomen dan genezen.’ Zij merkt bij zichzelf iets van een glimlach; zeker ook van enige weemoed.
Moeder en dochter,
gearmd – zoveel inniger
nu het eindig wordt;
hun weinige woorden
blijven dichter bij elkaar.
Resonantie – Ingetogen
TaalTeam
Juist doordat er ogenschijnlijk zo weinig gebeurt aan de buitenkant en zoveel meer aan de binnenkant, ráákt de vertelling ‘Straks’. In een paar scènes schetst de verteller een wereld van ouder worden, zorg, professionaliteit en menselijkheid, zonder ook maar één keer expliciet over dood of diagnose te hoeven zijn; hij weet arts-medemens te zijn.
De vertelling begint in het streekziekenhuis, is sober en trefzeker: een internist, een hoogbejaarde weduwe, een lang gedeelde geschiedenis. In korte zinnen krijgen we hun achtergrond – zijn keuze voor geriatrie, de invloed van zijn oma, de tanende gezondheid van mevrouw – waardoor je voelt dat dit contact is toegegroeid naar wederzijds respect.
Het Japanse vers (een tanka) over water, tijd en bloesem plaatst het geheel in een breder, bijna tijdloos perspectief: het leven stroomt door, niemand zegt: ‘Laat het maar, wel genoeg zo!’.
Het gesprek tussen de arts en mevrouw is ingehouden: de mild ironische opmerking over de afwezige dochter, zijn empathische repliek, en vooral haar zin: ‘Zoals u naar mij kijkt, heeft u het al gezegd.’ Hier wordt de medische boodschap niet uitgesproken, maar vooral voelbaar gemaakt; je zou bijna zeggen: aangeraakt en daarmee aangereikt. Het ‘straks’ hangt in de kamer, zonder dramatiek, juist daardoor des te indringender.
een bergkoekoek vliegt
naar een eiland; en allengs
versterft zijn roepen
Matsuo Basho, 1644-1694
De slotscènes – haar glimlach/weemoed bij de folders ‘Beter voorkomen dan genezen’ en het slotvers over moeder en dochter, meer gearmd nu het eindig wordt – vangen kernachtig de overgang van behandelen naar begeleiden, van voorkomen naar aanvaarden.
Steeds weer werkt de combinatie van proza en poëzie als twee lenzen, gericht op hetzelfde thema: kwetsbaarheid en waardigheid in de laatste levensfase. Het is een ingetogen, zachtmoedig miniatuur die lang blijft resoneren.
Volgends tanhaibun: Dáár alleen
