Dáár alleen
Ahí solo – España
De kwelders langs de kust van Islantilla – Zuid-Spanje – met belendende dorpen vibreren mee met de getijden. De smalle geulen lopen volgens maangetijden vol met vloedwater, vallen droog bij eb, drogen wat in, lopen weer vol. Er liggen verzonken leemplekken; er is laaggroei dat leeft van ziltig water, regen en dauw absorberend. Een wereld op zich; een bezield ecologisch gebied, bewoond door een scala aan klein gedierte en vogels.
Wat misschien zo blijft
zoals het geworden is
– het niet anders hoeft.
Ik wandel er veel, ken bepaalde plekken goed. Ook een opmerkelijke: een ondiepe, langgerekte leemkuil waarin ik, nu zeven jaar geleden, voor de eerste keer een laarzenspoor zag. En de keren erna steeds datzelfde laarzenspoor: of er zojuist nog iemand doorheen getrokken is, kalm want met gewone, egale stappen, onderweg naar iets, iemand of zomaar tijdens een wandeling. Die paar meters waarin de tijd spreekt over doorgaan, verder de kwelder in; evenzeer over voorgoed stilstaan in een vastgelegd beeld: een herinnering.
Sommige mensen
zijn nog vroeger dan ik
met zaken bezig –
er staan al voetafdrukken
in de rijp op deze brug
Yomo no Akara, 1749-1823
In diezelfde leemkuil leven de roze getinte krabben/krabbetjes (verschillend, wel verwant) die met vloed in hun solitaire randholletjes zitten en proberen te vangen wat langskomt, prooi wordt. De krabben/krabbetjes die bij eb op zoek gaan naar grondvoedsel, in willekeurige groepjes; een gekrioel van jewelste. Maar vooral: het is hun vaste leefplek, hun eigen omgeving – dáár alleen. Hun wereld met de afwisseling van eb en vloed, springtij soms; de maancyclus in het land met slechts twee seizoenen: zomer/niet-zomer.
Een laarzenspoor trekt
dwars door een brede leemkuil,
eb in de kwelder;
dáár leven krabben hun tijd
en sterven er ter plekke.
Een verstild, amper opvallend ecosysteem als onderdeel van een groter en majestueus geheel, de kilometerslange kwelders dicht achter een smalle – ietwat pokdalige – duinenrij met hoog, stug helmgras waartussen hier en daar boezems voor de in- en uitstroom:
de kweldernevels –
dan ineens de open zee,
hoog het hemelsblauw
Taniguchi Buson, 1715-1783
Die ervaring: het ooit ontstane laarzenspoor dat jaar in jaar uit ‘er is’, ooit de eerste keer maar nu steeds opnieuw; en de krabben/krabbetjes in hun dagelijkse hier-en-nu; in hun randen rondom de leemkuil, in hún universum waarin een goed leven goed te leven valt.
Beide ongevraagd maar voorgoed bijeen in een ecologische tijdscurve. Dat beseffen; en er tevens in de buurt van zijn: voor jaren een vaste bezoekplek – erna een dierbare herinnering, zoals aan het ouderlijk thuis van toen, met een groentetuin, aan het grote gezin.
Zonder betekenisdrang
TaalTeam
In ‘Dáár alleen’ opent zich een wereld die als landschap overzichtelijk lijkt, kilometerslang, vooral niet al te breed, maar zoveel bevat, waarin zoveel gebeurt. Kwelders ademen met het zeewater. Geulen vullen en legen zich, leem droogt in totdat het weer zacht wordt van het vloedwater. Laaggroei houdt vast wat dauw en regen geven. Het landschap is geen decor maar een lichamelijk gebeuren met een ritme dat ouder is dan het onze.
In dat ritme verschijnt een laarzenspoor. Niet als verstoring maar als bijzonderheid. Eén spoor, voor de ik-verteller zeven jaar oud, en toch telkens nieuw, alsof tijd zich hier anders gedraagt. Je ziet een spoor van gewone stappen die door een leemkuil gingen; de stappen van iemand die ergens naartoe ging. Dat maakt het spoor zo menselijk: niet heroïsch, niet opmerkelijk, wel aanwezig. Je kunt je er een voorstelling van maken. Het zegt: iemand was hier, iemand ging verder; en – je vindt het wel of niet van belang – waarheen?
Tussen proza en poëzie (een tanhaibun) wordt die waarneming aangescherpt. De korte gedichten werken als ademteugen: even stilstaan, even scherpstellen. De stem van Yomo no Akara voegt er een laag aan toe, alsof ook vroegere voetstappen al wisten dat je later aankwam dan zij. En Taniguchi Buson opent een ruim perspectief: nevel, dan plots zee, daarboven het hemelsblauw. Niet als uitvlucht, maar als een aandachtig kijken en zien.
Tegelijk is er het krabbenleven, roze, solitair en onverstoorbaar. Met vloed in holletjes rondom de kuilranden, met eb in een krioelende voedselzoektocht. Hun universum past in een leemkuil, het is een bestaan met een eigen leefpatroon, een meegaan met eb en vloed; en uiteindelijk een sterven op diezelfde plek. Het ontroerende is niet alleen de biologie maar ook de vanzelfsprekendheid waarmee het leven zich afspeelt zonder betekenisdrang. Zij hoeven niets te veronderstellen of te verklaren; zij zijn er zoals ze zijn.<
En dan legt de ik-verteller beide naast elkaar. Het laarzenspoor dat wijst op een menselijk onderweg-zijn en de krabben/krabbetjes die al hun tijd ‘dáár’ blijven waar hun leven begon en zich voltrekt. In één ecologische boog worden beweging en verblijf, rondgang en blijfplekken met elkaar verbonden. Hier krijgt ook het woord ‘alleen’ een warme klank: niet eenzaamheid maar eigenheid, een plek die zichzelf genoeg is – dáár – daar alleen.
Aan het einde verschuift het ‘dáár’ naar herinneringen. Een kwelder wordt verbonden met het eigen thuis van vroeger, het ouderlijk huis met een groentetuin. Je bezoekt het niet meer, er wonen nu anderen – maar je draagt de beelden in je mee. Want wat blijft: al die reeksen met impressies, voor zomaar overdag, een goed moment of in nachtmerries. Vele ervan zinken weg, omdat ze nergens om bedoeld zijn of aan bijdragen – gewoon bezinksels worden; soms waar een laarzenspoor doorheen trekt.
De leemkuil met de krabben/krabbetjes doet denken aan het grote gezin van toen (ook verschillend, wel verwant) waarvan de kinderen hun weg gingen, eigen plekken bewonen. De ouders stierven wat eveneens geldt voor de kinderen van wie nog weinigen hun levens leven.
