Van oase naar oase — 1
Woestijnervaringen; tot 2000 — en daarna
… à travers le désert,
c’est un baptême de la solitude.
Henri J. Hugot
Overdag staat de hitte van veertig tot boven de zeventig graden zinderend en oogverblindend in een vlak tot heuvelachtig gebied, ’s nachts jagen kille windvlagen over valleien die alles weg hebben van een maanlandschap, langs grillige rotsformaties en over de meest grimmige bergen met toppen eeuwige sneeuw. Van ‘leven’ kan hier nauwelijks sprake zijn; dat is er dan ook bijna niet, want we spreken over ruim tweehonderd miljoen jaar geleden. Wat nu op de landkaart Europa is, was toen een woestijngebied dat een werelddeel besloeg.
Door verschuivingen van continenten, klimatologische veranderingen, geologische revoltes en factoren als ontbossing, erosiewerking, overbegrazing en spelingen der natuur kunnen vruchtbare gronden en uitgestrekte streken met een rijke vegetatie tot woestenij vervallen en in woestijn veranderen. Maar woestijnen kunnen ook stukje bij beetje herschapen worden tot landbouwgebieden; dankzij technologische verworvenheden, adequaat natuurbeleid en vasthoudendheid van mensen.
Sommige oude woestijnen slibben op den duur zelfs dicht met grote industrieprojecten of raken dichtbevolkt met megasteden. Tegengesteld hieraan is de Sahelgordel die jaarlijks zo’n vijftig kilometer breder wordt; de Sahel, ondergrens van de Sahara, een relatief ‘jonge’ woestijn van pas vierduizend jaar oud, evenals de Sinaï in Egypte en de Negev in Israël en Jordanië ten zuiden van de Dode Zee. De Negev, tussen 1978-2000 mijn meest geliefde woestijn; ik maakte er individuele woestijntochten met Eilat als vertrekpunt.
Het kameelkarkas
ligt hier op zijn rechterzij –
misschien voor eeuwen.
De woestijn in
Begin 1977, toen mijn leven op dat moment nogal bepaald werd door een gevoel van ontreddering en desolaatheid, besloot ik mij te richten op ‘desertwalken’, woestijnlopen als tegenwicht voor die gevoelens. De training van tweemaal twee weken vond plaats in Eilat, in het aanloopgebergte van de Negevwoestijn. [Eilat, toen een stoffig stadje aan de Golf van Akkaba met een kleine vierduizend bewoners, is nu een toeristenmetropool met ruim vijftigduizend inwoners en zo’n dertigduizend toeristen per dag.] Ter afsluiting van mijn basistraining maakte ik begin 1978 mijn eerste individuele woestijntocht van vijf dagen met minimale bagage, maximale motivatie en fysiek krachtig, een globale landkaart, kompas en een zendertje voor het geval dat. Onderweg zou ik éénmaal een waterbevoorradingsplaats aandoen.
Die vijf dagen herinner ik me als de dag van gisteren. Alleen en alleen voor mezelf verantwoordelijk. De eerste nacht in een slaapkuil van snel afkoelend zand. De weerbarstigheid van diepe angstlagen die zich als vulkaanuitbarstingen in mij omhoog werkten. Ik weet nog hoe ik steeds weer een cadans zocht in het lopen (de zogeheten ‘kamelenloop’ van zo’n zes tot acht uur per dag; met rustpauzes om de twee uur), uiterst zorgvuldig omging met drinkwater, intussen genietend van ruime vergezichten, grootse vormen en overweldigende kleuren.
En die zindering van hitte overdag, een verkoelende bries in de loop van de middag, de korte schemering, direct gevolgd door een aanstormende sterrenhemel. In het laatste licht maakte ik notities over de dag, schreef een enkele mijmering op of vond de aanzet voor een gedicht. Dan een korte, lichte slaap, verbaasd, bevreemd weer wakker worden en lopen, almaar lopen, ópgaan in het landschap; me vereenzelvigen, laten vervloeien met wat er ‘zomaar’ is: een woestijngebied waartoe ik een periode ging behoren.
Vanaf dat moment werd ik een verwoed maar niet fanatiek woestijntrekker, geen woestijnavonturier die uit is op heroïek of imponerende verhalen. Ik wilde deel uitmaken van het verstilde landschap, kroop tijdens striemende stormen als een nietig schepsel weg onder de wollen deken, wachtend tot het urenlange windgehuil als bij toverslag zou ophouden, waarna er in feite nauwelijks iets veranderd leek te zijn maar dat intussen wel was ― met name in mijzelf.
Zo’n avond, waarin
tijd en duur nauw merkbaar
verschuiven, waarin
– want niet bedoeld voor zeggen –
woorden komen als terloops.
Greet van Dooren
Terugblik
Jarenlang heb ik me afgevraagd wat ik met woestijnen heb en waarom woestijngebieden van jongs af aan zoveel aantrekkingskracht op mij uitoefenen. Dan komen steeds beelden omhoog uit mijn vroege jeugd, thuis in het gezin, en het internaat elders; herinneringen waarin ik dikwijls alleen was, alleen wilde zijn of me zo voelde en vaak in mijn eentje over lege, pas geoogste velden wandelde, lange fietstochten maakte, met rode oren las over woestijnen en kluizenaars, door uitgestrekte polders of over heidevelden trok, zo graag met bus en trein reisde, veel liftte met onbekende bestemming, ook vrachtwagenchauffeur voor het buitenland wilde worden of door het ruige duin naar zee ging om uren uit te kijken over de kalme of hoog schuimende golven; zomerluchten in me opnam — stapelende wolken bewonderde, dichte bewolking als een grootse hemel zag. Trouwens, nog steeds.
Na een woestijntocht
wil ik nog eenmaal omzien
– zonder dat te doen;
tot waar het oog zou reiken,
en verder, draag ik in me mee.
Van oase naar oase — 2
Over woestijnervaringen; tot 2000 — en daarna tot vandaag de dag
Na jaren woestijnwandelen kwam ik er stapje voor stapje achter waar het mij om gaat. Ik zal er in het kort iets over vertellen aan de hand van twee concrete voorbeelden: mijn manier van lopen en iets over ademen ― in en buiten de woestijn. Want, voor een woestijntrekker is de wijze van lopen en ademhalen van cruciaal belang. In ons dagelijks leven staan we daar doorgaans weinig bij stil.
Er zijn allerlei manieren van lopen. Dikwijls ben je onderweg naar iets of iemand, loop je met een bepaald doel voor ogen. Je kunt ook doelloos rondlopen, zoals bij slenteren uit verveling of eenzaamheid. Als je loopt, kijk je vaak om je heen, bijvoorbeeld uit nieuwsgierigheid; of je kuiert wat rond met een voldaan gevoel, ontspannen of om wat tijd te doden. Maar je kunt je ook zeer bewust zijn van je lopen en zeer doelgericht lopen. Dat is op een heel specifieke wijze nodig in de woestijn.
In de loop der jaren werd de reden van mijn woestijnlopen me steeds duidelijker: ik loop in de woestijn dag na dag, week na week om mezelf daar als fysieke aanwezigheid te vergeten, niet langer op te merken. Ik wil in feite bij het landschap gaan behoren, er in ópgaan met geen andere bedoeling dan om ‘er te zijn’, aldus de tijd als een onbezette, leeggestroomde ruimte te ervaren en ruimte en ruimtelijk gevoel van digitale tijdsdimensies te ontdoen. Iets van dat onzegbare niets – het algehele niets – te ervaren en tot diep in mijzelf – mon tréfonds – te beleven, soms ook als iets vanzelfsprekends.
Zomaar uit het niets
steekt een woestijnstorm op –
het al verblindend.
Ik bén in woestijnen, niet allereerst of uitsluitend om schoonheidservaringen. Zodra ik in een woestijn vertoef, loop ik lichtvoetig, rustig en zo onnadrukkelijk mogelijk. Dat voelt in die weken heel natuurlijk aan, gewoon; als een licht dansende, haast ononderbroken cadans. Ongeveer hetzelfde geldt voor zitten en liggen. Het is dáár echt anders dan in mijn dagdagelijkse werkelijkheid. Bij elke woestijntocht vraagt het enkele dagen voordat ik die natuurlijke, nomadische ingesteldheid eerst áán en dan ‘in’ den lijve opmerk, herken, verinnerlijk en ten diepste voel. In de training leerde ik ook om efficiënt adem te halen en vooral niet dieper dan nodig. Dat heb ik me goed eigen gemaakt. Met een weinig zuurstof kom ik een heel eind. Ik adem met mate!
Elke dag in de woestijn staat in het teken van deze wijze van lopen en ademen en vormt aldus een basisingrediënt van een woestijntocht. Mede daardoor tracht ik in de woestijn in mijzelf een existentieel vacuüm te creëren. Want zó voel ik mij en sta ik in dit leven. Ik ervaar het menselijk bestaan zélf als een onbedoelde existentie. Dat gevoel van onbedoeldheid is van jongs af aan mijn levensgevoel, mijn grondgevoel en tevens de zuurdesem van mijn doen en laten. In mijzelf ligt, meen ik, geen diepere of hogere bedoeling besloten.
De woestijnstorm luwt;
mijn lange weg – ontdaan nu
van voetafdrukken.
De zin van ons menselijk bestaan ligt in mijn opvatting niet in het bestaan zelf, maar komt voort uit contacten tussen en met mensen; en dat in de meest verschillende ervaringen. Zingeving is voor mij geen afgeleide van een goddelijk plan of een buitenaardse beschikking, maar allereerst een verantwoordelijkheid van mensen zelf, samenhangend met andere (ook door historiciteit, traditie, gewoonten ingekleurde) gebeurtenissen: wij samen maken de wereld; ook in de geest van tikkun olam *).
Op deze existentiële onbedoeldheid en zeker ook ‘onbekommerdheid’ wordt in de woestijn steeds weer een aanslag gepleegd door gepieker, door verdriet dat ik in mijzelf meedraag ― ook oude angsten die ’s nachts onverhoeds ‘naar boven breken’, door schuldgevoelens die me haarscherp voor ogen komen, door vermoeidheid na een lastige klim, door gemis van dierbaren en gevoelens van vervreemding; bovenal de pregnante vraag waar ik sta in dit leven ― of had willen staan. Bovendien is het niet goed je volledig te verliezen in pure schoonheid en esthetiek, in opperste verbazing over het vindingrijk gedrag van dieren (hun levenskunst), de oneindig vele steensoorten ― hun prachtige, rijk gevarieerde vormen ― en koele donkerte van holen in rotspartijen. De woestijn als zielslandschap.
Zeker, onderweg boeien ook distels en distelachtige planten me. En al die zinderingen! Ik kén de lange, dagenlange uren tijdens oogverblindende zandstormen, het wonder van een pasgeboren gemzenjong of het eenzaam sterven van een steenbok, terwijl gieren al cirkelen; en de onuitsprekelijke pracht van mineralen, gesteenten en heuvellijnen; de uitputtende hitte die mij tot mijn diepste zelf brengt of in een onverhoedse crisis doet belanden; de kalme koelte van woestijnochtenden. Bovenal en pas op den duur: het troostend landschap. Zoals ik ooit bij moeder zat, haar arm om me heen, haar lichte, zachtmoedige okselgeur. Die ervaring én beleving draag ik voor altijd in me mee.
Ik trek door woestijnen — individuele woestijntochten; tot 2000 — om opnieuw te ervaren dat mijn leven in existentiële zin een wandeling in de ons gegeven tijd is en in een beperkt geografische ruimte. Daar stel ik me zo goed mogelijk op in. Dán kan ik mijn nomadisch woestijngevoel ten volle beleven. Alleen ― in het nu en hier: het ruime van de ruimte, tijd als duur ― bén ik ér **). Na jaren wonen in Zuid-Spanje, Costa de la Luz, verdiepte het woestijnwandelen zich in mij; intenser dan gedacht.
Na weken woestijn
schilfers maanlicht op de heuvels
rond het aankomstdorp.
*) Verbeter de wereld. **) Tijdens een woestijntocht houd ik, dag in dag uit, uur na uur, de route in het oog. Het is nodig elke twee uur te rusten, te drinken, op tijd een slaapplaats te bepalen; één stok noordwaarts en één zuidwaarts te zetten.
Besef
Mijn woestijnervaringen hadden en hielden verbinding met de/mijn werkelijkheid; de woestijn gaf er cachet aan. Het bijzondere van een woestijn: zij ís er, zomaar. En toch nodigt die woestijn uit tot bezinning; geeft me rust. Ik voel me nog steeds een woestijnkluizenaar maar niet in dramatische zin: geen versterving, kastijding, godsverdwazing, uithongering of zinsbegoocheling. Ik ging van tijd tot tijd de woestijn in, niet om mij van de mensen en de wereld af te wenden, maar om na een periode, doorgebracht ‘in het licht van de eeuwigheid en onder de kalme duisternis’, terug te keren; niet zozeer als een Phoenix maar gesterkt in wie ik ben; in hoe ik er tevens voor anderen wil zijn.
Mijn wijde mouwen –
waren zij maar ruim genoeg:
ik zou wie dan ook
in dit voorbijgaand leven
beschutting willen bieden
Taigu Ryokan, 1759-1831
Resonantie – Woestijnervaringen – 1 – TaalTeam
Deel 1 begint als een gelaagde toegangspoort: geologisch, historisch, existentieel en autobiografisch tegelijk. De tekst opent met een bijna kosmisch perspectief — tweehonderd miljoen jaar geleden, een Europa dat woestijn was — en zet daarmee onmiddellijk de toon: de menselijke maat is hier secundair. Wat volgt is geen romantisering van de woestijn, maar een nuchtere situering van haar bijzondere wording en haar situatie ‘naar omstandigheden’. Woestijn is geen absolute categorie; zij ontstaat, verdwijnt, verschuift, blijft. Dat relativeert niet alleen landschappen, maar ook levens.
Tegen die achtergrond verschijnt de ik-figuur niet als held, maar als iemand die in een periode van ontreddering een vorm zoekt die hem niet overstemt. Het besluit om te gaan ‘desertwalken’ is geen vlucht, maar een tegenwicht. Dat woord is belangrijk: de woestijn wordt niet ingezet als antwoord, maar als tijdelijke verblijfplaats. De training, de minimale uitrusting, het zendertje ‘voor het geval dat’ — alles ademt de nodige voorbereiding in het teken van veiligheid voor die periode.
Wat dit deel bijzonder sterk maakt, is de manier waarop lichamelijkheid en innerlijk landschap parallel lopen. Angstlagen worden niet psychologiserend benoemd, maar eruptief: ‘als vulkaanuitbarstingen’. De cadans van de kamelenloop, het zorgvuldig omgaan met water, de notities bij het laatste licht — het zijn geen anekdotes, maar structurerende handelingen. Ze vormen een ritme waarin het ik zich tijdelijk ophoudt. Niet om zichzelf te vinden, maar om zichzelf te herkennen én in stand te houden.
Opvallend is ook de afwezigheid van heroïek. De auteur positioneert zich expliciet niet als avonturier. Integendeel: hij wil opgaan in het landschap, erin thuishoren, onderdeel van zijn en vooral niet opvallen. Tijdens stormen is hij ‘een nietig schepsel’. Dat is geen valse bescheidenheid maar een consequente ontmanteling van het moderne zelfbeeld waarin ervaring al gauw prestatie dreigt te worden. De woestijn laat geen ruimte voor dat misverstand; of rekent er ‘daadwerkelijk’ mee af.
Het slot van deel 1 — de terugblik naar de jeugd — werkt als een zachte maar beslissende verschuiving. De woestijn blijkt geen breuk met het verleden maar een herneming ervan. Lege velden, lange fietstochten, het verlangen naar onderweg-zijn zonder bestemming: ze vormen een continuüm. De woestijn is niet vreemd maar reikt aan in wat er al was. Daarmee krijgt ‘tweede thuis’ een precieze betekenis: niet als een leven elders maar als een plek waar het eigen levensgevoel zijn meest heldere vorm vindt, aanneemt en verinnerlijkt.
Resonantie – Over woestijnervaringen – 2 – TaalTeam
Deel 2 is explicieter reflectief en beschouwend van aard. Waar deel 1 vooral toont, benoemt deel 2. De kern verschuift naar hoe er gelopen en geademd wordt — en waarom dat ertoe doet. Lopen en ademen worden ontdaan van hun vanzelfsprekendheid en opnieuw geladen als existentiële praktijken.
Het onderscheid tussen verschillende manieren van lopen is scherp en overtuigend. Doelgericht, doelloos, slenterend, nieuwsgierig — ze vertegenwoordigen allemaal een verhouding tot tijd. In de woestijn is een andere verhouding nodig: niet gericht op aankomst, maar op voortgaan en ‘opgaan in’. De formulering ‘om mezelf daar als fysieke aanwezigheid te vergeten’ is cruciaal. Het gaat niet om zelfverwerkelijking maar om zelfrelativering. De woestijn is niet om als in een soort spiegel naar jezelf te kijken, eerder om voor alles en iedereen ongezien te blijven.
Hetzelfde geldt voor het ademen. ‘Ik adem met mate’ is een bijna ascetische uitspraak, maar zonder religieuze lading. Het is functioneel én symbolisch: zo weinig mogelijk innemen, zo weinig mogelijk verstoren. Dit leidt tot het expliciete streven naar een ‘existentieel vacuüm’. Dat vacuüm is geen leegte in negatieve zin, maar een tijdelijke opschorting van betekenisdwang.
Daarmee raakt de tekst aan een helder existentieel standpunt: het menselijk bestaan is onbedoeld. Er is geen hoger plan, geen vooraf gegeven zin. De daadwerkelijke zin ontstaat uitsluitend in relaties, in het samen-maken van de wereld. Dit wordt niet polemisch gebracht, maar als doorleefd grondgevoel. Juist daarom is het overtuigend: het is geen stelling, maar een vaststelling van eigen ervaring.
Belangrijk is dat de woestijn deze onbedoeldheid niet bevestigt, maar voortdurend onder druk zet. Pijn, angst, gemis, schuld — ze dringen zich onvermijdelijk op. De tekst is hierin eerlijk: de woestijn is geen idyllisch niets. Schoonheid kan zelfs een valkuil zijn: afgeleid worden in ‘het prachtige’. Ook esthetiek kan verdoven en/of afleiden. Dat inzicht voorkomt elke zweem van escapisme.
Het meest ontroerende moment van dit deel is de vergelijking van het landschap met de moederlijke arm. Troost verschijnt hier niet als idee, maar als lichamelijk geheugen. De woestijn wordt niet verheven maar is te vertrouwen, wordt vertrouwd. Ze geeft een tijdelijk houvast zonder iets te beloven.
De afsluitende passages plaatsen de woestijntochten in een levensloop. Ze leiden niet tot transformatie in mythische zin, maar tot versterking van wie men al is — en van hoe men voor anderen wil zijn. De woestijn is dus geen eindpunt, maar een ritmische onderbreking die terugkeer mogelijk maakt.
Integratie van Woestijnervaringen – 1 en Over woestijnervaringen – 2 – TaalTeam
In de samenhang van deel 1 en deel 2 ontvouwt zich één coherent motief: aanwezig zijn zonder aanspraak. Deel 1 laat zien hoe dit motief vorm krijgt in ervaring; deel 2 maakt expliciet welke houding daaronder ligt. Waar deel 1 de woestijn introduceert als landschap waar ‘het ik’ langzaam in opgaat, benoemt deel 2 het verlangen achter die beweging: het tijdelijk loslaten van betekenis, bedoeling en identiteit. Samen vormen ze geen tweeluik van verhaal en reflectie maar een cirkelbeweging. De ervaring roept de reflectie op; de reflectie verdiept de ervaring.
De titel Van oase naar oase krijgt in deze integratie extra lading. Het gaat niet om geografische punten maar om tijdelijke verdichtingen van er-zomaar-zijn. Oases zijn niet alleen plekken maar allereerst momenten van rust binnen een fundamenteel onherbergzame werkelijkheid — niet alleen fysiek, ook existentieel. Het leven zelf wordt aldus een tocht tussen oases: een almaar onderweg-zijn zonder een gezochte eindbestemming. Wel een onderweg-zijn met en voor elkaar; gericht op enig tikkun olam.
Wat deze tekst als geheel bijzonder maakt, is de weigering om de woestijn te sacraliseren, te analyseren of te psychologiseren. Ze blijft ‘er, zomaar’. Juist daardoor kan zij resoneren met een levenshouding die verantwoordelijkheid bij de mensen zelf legt, zonder illusies vooraf of erna. Wel zonder cynisme. Vooral niet te gemakkelijk zoals bij François Mauriac die schreef: ‘Elk van ons is een woestijn.’
Aldus is dit geen tekst over woestijnwandelen maar een nauwkeurig verslag van een manier van in-de-wereld-zijn, in-de-wereld-staan, nog-in-de-wereld-willen-blijven. Verstild, op eigen wijze aanwezig maar niet opdringerig. Zoals de woestijn zelf. En zoals Simon het zegt:
Me blijft wat er was
woestijntocht na woestijntocht:
die aride geuren.
