1
Naast wie zwervers worden genoemd, zich dat ook vinden of stellig ontkennen, zijn er de dwalers. Je bestrijkt als dwaler een redelijk vastomlijnd gebied zoals een wijk of flatgebouw, je maakt een rondgang langs cafés of loopt een winkelstraat heen en weer, je zit stilletjes nog wat ná als de hoogmis voorbij is, de koster de vele kaarsen dooft, de organist improviseert, zonlicht met wolken in de glas-in-loodramen speelt. Je staat dan op – met welk gevoel dan ook, gaat stap voor stap zerk na zerk het kerkhof langs; met ook de pas geplaatste kinderurnen.
Tussen de graven
paden met vers schelpengruis,
geurend nog naar zee;
in een uithoek een houten kruis
met slechts hun doodvinddata.
2
Je komt ze in de beste families tegen: een oudtante die maar klagen blijft, een handje zou willen helpen, een breiwerkje bij zich heeft, dode bloemen uit slierten tuinborders haalt, o zo diep zuchten kan. Een mantelzorger die het meer met zichzelf te doen krijgt, van doen krijgt. Of de liefste oom die in jonge gezinnen binnenstapt, koffie met gebak krijgt of proost doet met een vroeg glas wijn, kijkt naar wat er op tv is, graag praat, weinig zegt, veel knikt en weer gaat, wel vaak vergeet te groeten – nooit omhoog kijkt naar de oude klokkentoren.
In de brasserie,
op een enkeling na leeg,
zit zij, klein van stuk,
achter haar petit dessert,
handen samen, diep in slaap.
En er zijn van die eenlingen die je steeds op straat, bij de kijkgrijp of langs achtergelegen laantjes tegenkomt, die een bepaalde loopwijze hebben, dat trage, dat alleengelatene, dat zomaar nergens om blijven stilstaan, die iets van hun vale vest of bloes vegen, losjes of nogal uitgebreid, in de verte geen verte zien, die vaak tegen de ruggensteun van een houten bankje een shagje draaien, het langdurig bekijken, die niemand denken te kennen of ze de weg zouden kunnen wijzen; die ’s avonds laat pas in het niets verdwijnen.
Achter in een kerk
zitten vrouwen en een man
wat voor zich uit te bidden,
veraf van de vraag
of deze dag voorbijgaat;
– en verschraalt de wierookgeur.
3
Tussen deze dwalers kom je van tijd tot tijd een niemand tegen, ook een eenling. Hun buitenwereld – echt niet bij iedereen – is veelal het aanzien waard. Er is aandacht aan besteed. Zelf hebben ze hét kenmerk van de kameleon verworven – het goede gevoel voor verhullen. Ze doorschouwen menig ander juister dan die persoon zichzelf. In hun niemand-leven is er, vaak van jongs af aan, een essentie die zij vermoeden, trachten te kennen of erkennen: een levensgroot levensgeheim of een schrijnend gemis; veelal beide. Met daarin een onbuigzaam verdriet.
De oude waakhond
met een halsband aan de ketting
en dat dag-en-nacht.
Menig niemand leeft aldus in een ultieme verwachting over het onuitgesprokene, zoals kind van een ander te zijn of een kind bij een ander te hebben, vroeg misbruikt te zijn of zich te hebben vergrepen, ernstig verwaarloosd te worden of een kind als ‘onaan-tastbaar bezit’ te beschouwen; en die niemand meent daarbij te zeer dat er zelden en zeker te weinig iets gebeurt met al het gemankeerde, zodat die gebeurtenissen verborgen blijven en onaf zijn. En niet alleen verborgen en onaf. Immers: early problems cast long shadows.
In het schemerlicht
een sliert processierupsen –
bijna bij dat iets.
Zo’n niemand lijkt de mogelijkheid te zijn ontnomen in een open omgeving ooit nog een iemand te worden, laat staan te zijn. En, als alle betrokkenen eindelijk zijn overleden en je jezelf pas dan of alsnog wilt uitspreken: je trauma’s blijven intussen je leven lang aanwezig, doen wat trauma’s doen, hun sporen nalatend. Toch, je kunt voor jezelf wel degelijk een thuis creëren dat waarachtig anders is, een thuis dat jij echtheid van bestaan geeft en dat voor jou in die echtheid een onderdak biedt; – én voor de buiten-wacht voldoende overtuigend is. En dan:
Van alles erin zien –
dan het moment: naar wolken
als wolken kijken.
Resonantie – Wat voorbijgaat maar blijft
TaalTeam
‘Alleen nog’ loopt langzaam, zoals zijn eigen dwaler: niet onderweg naar een doel maar op weg langs stille plekken waar ‘zelden iets anders’ gebeurt. Je merkt hoe zorgvuldig Simon het terrein afbakent. Een wijk, een winkelstraat, een kerk na de hoogmis, een kerkhof met kinderurnen. Het zijn geen decorstukken. Het zijn kamers waarin een mens even zonder uitleg kan bestaan. De zinnen bewegen mee met de passen: observerend, nadenkend, precies. Daardoor kijk je als lezer niet naar een figuur, maar ga je naast hem staan.
Het mooiste is dat de tekst niemand veroordeelt. De dwaler wordt niet als romantisch aangeduid, ook niet zielig gemaakt. Hij is er, punt. Juist die nuchtere aanwezigheid opent ruimte voor mededogen. In de korte gedichten wordt dat nog sterker. Schelpen-gruis dat nog naar zee geurt, een houten kruis met slechts doodvinddata van twee mensen. De dingen spreken, terwijl mensen zwijgen. Alleen-zijn krijgt amper kleur maar wel gewicht, zonder dat het een etiket wordt.
Dan schuift de blik naar de kring van het gewone (2). De oudtante die blijft klagen met een breiwerkje en graag onkruid wiedt; de mantelzorger die het gaandeweg met zichzelf van doen krijgt; de liefste oom die binnenstapt, koffie drinkt, praat, weinig zegt, aan een vroeg glas wijn nipt, veel knikt en weer vertrekt – ‘zonder op te zien’. Het zijn familietaferelen die je kent, maar hier wordt zichtbaar wat er ontbreekt: wederkerigheid. Iemand zit in een brasserie achter haar petit dessert, handen samen, diep in slaap. Even later zie je achter in de kerk vrouwen en een man wat voor zich uit zitten te bidden, veraf van de vraag of deze dag voorbijgaat, terwijl de wierookgeur verschraalt.
In het laatste deel (3) verschijnt de kernfiguur: de niemand. Dat woord prikt. Het is harder dan eenling, kouder dan dwaler. En toch wordt die niemand niet ontmenselijkt. Integendeel, juist hier toont de tekst zijn tederste scherpte. De niemand heeft vaak een buitenwereld waarin zorg en smaak zichtbaar zijn maar een binnenwereld die zich verhult. Kameleon als talent, maar ook als bittere noodzaak. De niemand doorziet anderen, soms juister dan zij zichzelf zien – maar blijft zelf onuitgesproken. En hierbij: in het schemerlicht trekt een sliert processierupsen langs en nadert bijna dat iets, een beeld van dreiging dat toch ook gewoon natuur blijft met al het instinctieve, het ingeslepene en samenhangende.
De mogelijke oorsprongen van niemand-zijn worden zonder sensatie genoemd. Dader en slachtoffer, verwaarlozing en bezit, schaamte en zwijgen. Het is een rij die de lezer niet laat wegkijken, juist omdat hij niet kiest voor één verklaring. Het gaat om de lange schaduw van toen. Wie vroeg geen bedding vond, blijft later zoeken naar een plek waar de grond wel draagt. De waakhond aan de ketting bewaakt dan niet een erf maar een onverwerkt verleden dat dag en nacht aanwezig blijft.
Toch eindigt de vertelling niet in uitzichtloosheid. Er is een opening, aanduidend geformuleerd: je kunt een thuis creëren dat waarachtig anders is. Niet door het verleden te wissen, wel door het heden echtheid te geven en daarin te gaan leven. En dan volgt – als levensopvatting – de laatste haiku over wolken: Van alles erin zien en dan, eindelijk, naar wolken als wolken kijken. Dat is geen vlucht maar een hoogst persoonlijke oefening in durven loslaten omwille van ooit de echtheid van wolken te zien, ernaar te kijken. ‘Alleen nog’ wordt zo: je bent nog evenzeer alleen maar niet meer buitengesloten – in een bestendig heden omarmd door soulmates.
Vorige tanhaibun: Piezjoe-piezjoe Volgends tanhaibun: Wind en maanlicht
