Wind en maanlicht

Alfredo was als klein kind al erg eenkennig, speelde wel eens met andere kinderen maar niet echt samen. Het liefste zat hij dichtbij zijn moeder en keek heel aandachtig naar wat zij deed; vooral hóe. Hij was laat met praten, ook omdat hij in groepjes meestal stil was, amper op anderen lette, het liefst tussen die anderen zijn eigen dingetjes deed. Zijn moeder leerde hem allerlei liedjes die hij heel vlug in zich opnam en graag en vaak zelf zong. Zo ook in het klasgebeuren. Hij mocht van tijd tot tijd vóór de klas een minuut of vijf zingen. Dan werd er door de klasgenoten meegezongen maar leek hij daar nauwelijks naar te luisteren. Toch, wanneer een klasgenoot ophield mee te zingen, wees hij in die richting en maakte een gebaar van ‘meedoen, jij’. Werd hem door de juf gevraagd of hij wist om wie het ging, knikte hij van ja. Zij liet het daar dan bij.

Hij bleef in het ouder worden ook de meeste tijd alleen en was vaak druk doende met van alles en nog wat, intussen zichzelf binnensmonds met gebrom en plotse klanken begeleidend in wat er gebeurde, hij zelf deed of naliet. Opmerkelijk was wel dat hij indertijd in het leren schrijven een van de eersten was; hij kon hier helemaal in opgaan. Meer en meer maakte hij ook eigen zinnetjes. En redelijk snel schreef hij iets samenhangends waar zijn juf en de bovenmeester nogal van opkeken. Werd hij erover gevraagd, dan keek hij de ander aan, zweeg, liep het liefste weg; zong dan menig keer een liedje dat iets met het verhaaltje van doen had.

~ ~ ~

Ergens in de nacht:
een boerderijhond blaft, blaft –
en hij roept antwoord.

Alfredo doolt, indien nodig met een olielamp, nacht na nacht door het heuvelachtig landschap dat hij goed kent, vooral de geitenpaadjes; vanaf de schemer tot het morgenlicht. Hij voelt dat hij geleidelijk aan een goedmoedig nachtdier aan het worden is dat niet uit is op prooien maar op een goed gesprek met struiken, zandpaden in het maanlicht, een weilandhek, voederbakken en drinkplaatsen voor de kuddes, de Moorse nachtzwaluw en uilen; tevens met zichzelf. Maar vooral met de wind, welke dan ook, een bries, stormvlagen of dat kalme waaien. Hij kent vele soorten wind, geeft ze toepasselijke namen zoals Briezedoes, doet die zo zuiver mogelijk na, hoort er de meest verschillende vragen in – over het leven hier op aarde en erbuiten; over al wat waar dan ook groeit, bloeit, verwelkt.

Daar denkt hij in die nachtelijke uren zorgvuldig over na, vaak hardop pratend, steeds zijn bedenksels herhalend. Hardop vooral. Zo kan hij beter naar zichzelf luisteren. Alsof hij van buitenaf aan zichzelf iets aan het vertellen is. Dat het beaamd wordt, hij er oneens mee kan zijn; er menig keer oprecht blij van wordt. Mooi, zo te leven, nacht na nacht.

Al in de wereld
speelt zich af in een droom,
vluchtig, vervagend;
kijk er daarom niet van op:
‘wat er is’ blijkt niet blijvend.

Sojun Ikkyu, Zenmeester, 1394-1481

Alfredo voelt zich gewoon gelukkig, ook erg opgelucht als hij in al zijn bedenksels iets van een antwoord vindt. Maar zodra hij dat beseft, twijfelt hij er direct weer aan. ‘Want ja, wie bén ik? – zeker niet iemand die veel verstand heeft van gewone of van bijzondere dingen die deze wereld ietwat verder zouden kunnen helpen. Ik pruttel maar wat; als een restje maaltijd van gisteren, nu in de bakoven die nog vrij warm is van het broodbakken.’

Intussen ruisen bomenkruinen, staan wilde lantanastruiken op de meest verschillende plekken wondermooi in bloei, hoort hij nachtvogels, vindt hij allerlei dierenlijkjes. Die wikkelt hij met een bijna heilig ritueel in een krant, een elastiekje er tweemaal om-heen; en bergt ze voorzichtig op in zijn donkerbruine rugzak met een zacht witte A erop.

Aan de heuvelkam
komt daglicht door – het duister
lost er straks in op.

Hij heeft in het schuurtje een paar planken waar die dierenlijkjes voorzichtig in volgorde van het vinden op neergelegd worden. Hij repeteert steeds weer de precieze vinddata en neemt die plekken op in zijn nachtelijke wandelroutes; staat er dan ook nog even bij stil.

Zijn moeder kijkt iedere ochtend naar hem uit, luistert aandachtig naar zijn verhalen en ervaringen, zet hem onder de douche, eet een broodje met hem (vóór hij de nacht ingaat een warme maaltijd), stopt hem in, zingt zoals vanaf zijn geboorte een wiegelied, geeft hem een duimkruisje op zijn voorhoofd, doet de gordijnen dicht – met nog een kier.

Wanneer hij in slaap wegzinkt, gaat zij nog even door zijn volle, gitzwarte krullenbol; ziet zijn ingevallen wangen. Daarin lijkt hij zo op zijn vader, enkel verwekker, die hij nooit heeft gekend; een dagloner van dat ene – zo intense – zomerseizoen. Hij kwam nooit terug; had dat wel toegezegd. Maar zij kent dat: die eeuwige beloftes; de teleurstelling erom en het toch eigenlijk allang al weten.

O droeve lente –
onze nachtegaal,
hij kan zijn omgekomen
bij die ramp van vorig jaar.
Hij is niet meer weergekeerd.

Taigu Ryokan, Zenmeester, 1758-1831

~ ~ ~

Hij heeft in het schuurtje een paar planken waar die dierenlijkjes voorzichtig in volgorde van het vinden op neergelegd worden. Hij repeteert steeds weer de precieze vinddata en neemt die plekken op in zijn nachtelijke wandelroutes; staat er dan ook nog even bij stil.

Laat in een koude nacht – straks komt van ver morgenlicht – wordt hij benauwd, strompelt naar huis, fatale longembolie; en is vrij kort erna ijlend van de koorts – luid smekend om wind en maanlicht – uitgevloerd overleden. Zijn moeder gaat op zaterdag naar het graf, zit daar, prevelt weesgegroetjes en onzevaders, geeft de plantjes water. Na de zondagsmis steekt zij een kaarsje aan, maakt enkele kruistekens voor haar Alfredo.

Straks de velden in –
mist zal vogels aan het zicht
onttrekken, ook mij.

Miura Chora, 1729-1781

De oude pastoor, nogal krom van de reuma, sprak kalm en ingetogen het afscheidswoord: ‘Alfredo, jij – ons dorpsnachtmaatje van wind en maanlicht.’ Iedereen knikte daar toen bij.

De moeder heeft de dierenlijkjes jarenlang op de planken in het schuurtje laten liggen, blies af en toe het lichtgrijze stof eraf. Zij keek er enige tijd naar, deed haar ogen er even bij dicht, schudde lichtjes haar hoofd: tja, die lieve maar verweesde jongen van me, bijna altijd ergens anders – zonder zelf te beseffen waar, waarom en waartoe. En dacht vaak aan zijn verwekker die nooit van hem geweten heeft; geen dag ooit zijn vader kon zijn; noch hij met haar – zij beiden – als Alfredo’s ouders.

 

Resonantie – Langs dag en nacht
TaalTeam

In dit portret van Alfredo ontvouwt zich stap voor stap een wereld die net naast de gewone werkelijkheid lijkt te liggen. Vanaf het begin is hij een kind dat niet goed aansluit bij de groep, maar dat juist extreem fijn afgestemd is op details, klanken en ritme. Zijn late praten, de manier waarop hij liedjes feilloos oppikt en zijn vroege, bijna verrassende taalgevoel in het schrijven, schetsen iemand die innerlijk rijk is maar zich moeilijk rechtstreeks tot anderen verhoudt of anderen in zichzelf toelaat.

De tekst zet daar een tweede laag overheen: de nachten waarin Alfredo uitgroeit tot nachtelijk pelgrim. In zijn omzwervingen door het heuvelachtige landschap verschuift hij van mens onder mensen naar een soort goedmoedig nachtdier dat zich laat bevragen door wind, maanlicht, geitenpaadjes, hekken, uilen en de Moorse nachtzwaluw; en zo gesprekken aangaat. Die verschuiving voelt niet als vlucht, eerder als thuiskomen in een werkelijkheid die bij hem past. De natuur wordt geen decor maar gesprekspartner; de wind krijgt namen en stemmen, de nacht een eigen ethiek van aandacht en luisteren.

Bijzonder is hoe alledaagsheid en sacrale ervaring voortdurend in elkaar overlopen. De dode dieren die hij vindt en zorgvuldig in kranten wikkelt, met een elastiekje erom, en vervolgens ordent op planken in het schuurtje, krijgen bijna de status van relieken. Het is tegelijk ontroerend en licht verontrustend: een ritueel van bewaren dat zowel een poging tot betekenis geven is als een tastend omgaan met vergankelijkheid. Daar vlak naast staat de moeder met haar uiterst concrete zorg: douchen, broodjes eten, wiegeliedjes, het duimkruisje op zijn voorhoofd.

De ingeweven verzen van zenmeesters en haikudichters (hier ook Simon) openen steeds ‘een buiten-gewoon’ venster. Ze tillen de scène op van een Spaans dorp naar een tijdloos veld waar vergankelijkheid, verlies en verwondering elkaar raken. Zoals: de boerderijhond die blaft, blaft –, krijgt toegevoegd: ‘en hij roept antwoord’. De regels over de nachtegaal die niet is weergekeerd, spiegelt op een fijnzinnige manier de dagloner die een vrouw – na een intense zomer – moeder deed worden zonder zelf een vader te zijn – immers, niet terugkeerde. De opkomende mist dia alles aan het oog zal onttrekken – ‘ook mij’.

~ ~ ~

De dood van Alfredo komt abrupt en lichamelijk, een fatale longembolie na een koude nacht. Toch blijft de toon beheerst en ingetogen. De begrafenis met kinderen, palmbladeren en dans, het ruwhouten kruis met alleen zijn voornaam, de oude pastoor die hem benoemt als dorpsnachtmaatje van wind en maanlicht, geven zijn bestaan een zachte, bijna rituele afronding. De gemeenschap erkent hem niet als zonderling maar als iemand die een eigen, stille rol had in het grotere geheel.

Alleen dit geluid –
maar het was ook een avond
van zomerregens.

Kobayashi Issa, 1763-1827

Wat onderhuids aanwezig blijft maar wat van groot belang is, is de figuur van de moeder die hem ’s avonds uitzwaait en ‘s morgens welkom heet en na hun ontbijt wacht tot hij slaapt, dan even door zijn krullenbol gaat; en achteraf tussen de stoffige pakketjes dierenlijkjes in het schuurtje staat en denkt aan die verweesde, vaderloze jongen van haar, bijna altijd ergens anders. In haar blik komen liefde, onmacht en een diep begrip samen. Daarmee raakt de tekst een bredere snaar: hoe we omgaan met mensen die niet passen binnen de gebruikelijke maat, die misschien geen woorden vinden voor wat er in hen leeft maar die in hun manier van kijken en luisteren iets wezenlijks laten zien over mens-zijn.

Zo wordt Alfredo, zonder dat hij dat ooit heeft nagestreefd, een soort stille leraar in aandacht, in het serieus nemen van wat waait, ritselt, bloeit en sterft. Zijn leven in wind en maanlicht laat zien dat betekenis zich vaak juist vormt in de randen van dag en nacht, waar taal hapert en de wereld onvoorzien heel helder en heel doorzichtig wordt.

 
 

Vorige tanhaibun: Alleen nog          Volgends tanhaibun: Daarboven