
Iets verderop zie ik in een drassig landschap tussen een handvol slobeenden er eentje die onderweg is naar zijn levenseinde: het zomaar sterven, de vleugels reeds doelloos hangend langs het lijf, de hals net nog boven de grond, de kop krachteloos neergebogen, de snavel zonder beweging iets open, de ogen bijna toe. In wat tijd heet: nog even híer maar in feite al ergens/nergens. En dan – die zachte knik, die allerlaatste beweging zonder iets van schrik of onwennigheid, dat uitgevloerd liggen, het voorgoed. Straks aas voor de vele lijkenruimers, gevechten om het beste ervan, met ten slotte de vele botjeskluivers. Het schoon gevreten karkas – dat opbleekt in de zomerzon – raakt op den duur overgroeid: wordt teruggegeven aan, of: wordt teruggenomen door de natuur. De tijd!
die pure stilte!
er zinkt een espenblad
door helder water
Okamuru Shohaku, 1694-1722
Intussen gebeurt er iets bij de slobeenden eromheen. Alsof er sprake is – of dat ik dat denk waar te nemen – van een lichte, haast onmerkbare onrust, doorklinkend in stokkende keelgeluiden, het ingehouden waggelen, soms en dan even kijken naar het oudje. Ze laten het gebeuren, nemen er geen deel aan. Maar ontgaat het hun wel of niet? Raakt het hen? Is er mogelijk sprake van enige ontreddering? Overige vogels in de buurt kijken zelfs die kant niet uit; zijn van een andere wereld, lijkt het. Zij gaan hun gewone gangetje. Alsof er zo vlak bij hen niets bijzonders aan de hand is. Ik zit hier, kijk naar wat er gebeurt; zie allerlei directe en indirecte vogelbewegingen; voel me even ‘aanwezig’ in hun wereld; of stel me dat voor, laat me dat in mijzelf op dat moment toe.
Vogels, bloemen, wij –
opgenomen in een gevoel
van dit al der dingen;
ver – de bergen onder het waas
van een lenteschemering.
Ex-keizer Fushimi, 1265-1317
Een gebeurtenis. Verder verandert er niets, misschien toch wel: in mijzelf. Wat is ‘het gegevene’, die gift – dat wat wij ‘bewustzijn’ noemen? Niet alleen zien, kijken, waarnemen, maar ook ondergaan wat er plaatsvindt (het voor wáár nemen), eerst buiten onszelf maar dan ook in onszelf, een slagje of zoveel slagen dieper: onze ervaringen en belevingen die tot persoonlijk zelfbewustzijn evolueren en daarmee tegelijkertijd voorwaarde zijn voor andere ervaringen en belevingen, ons gevoel van hóe in de wereld te staan, ons daarin te ‘weten’ – ons levensgevoel – mét maar ook zónder elkaar; van daaruit ons gedragen, handelen of dit bewust nalaten: een veel gebezigde vorm van ‘de keuze van het niet-doen’.
Herinneringen
aan al wat ons dierbaar blijft:
sneeuw, te hoop gewaaid;
hoe ontroerend – die twee eenden,
zij aan zij drijvend, slapend.
Vrouwe Murasaki Shikibu, ca. 1000
~ ~ ~
Ons zelfbewustzijn dat gekenmerkt wordt door inlevingsvermogen en het o zo wonderlijke vermogen om méé te leven, waarvan de hoogste vormen ons mededogen en barmhartigheid zijn, rachamiem in het Jiddisch-Hebreeuws; deernis zoals nu met deze stervende slobeend hier. Getuigen de andere slobeenden er op enigerlei wijze van? Merken zij in hun instinctieve bezigzijn van iedere dag deze niet-alledaagsheid op? – het oudje dat hen in het-hier-en-nu ontvalt; of liever: zelf sterft. Of hoort dat gewoon bij hun alledaagsheid? Of merken zij het wel degelijk op maar laten het ‘ter plekke met nauwelijks enige ruchtbaarheid’ gebeuren?
Er waren momenten dat ik heel gewoon maar ook overtuigd in het tegendeel geloofde; dat door hóe moeder mij ooit over de natuur vertelde, mij wees op de vogels die onder langsgaande wolken gingen, in bomen nestelden, jongen grootbrachten. Maar dat was hoe zij het zag, zelf geleerd had; ‘aangereikt had gekregen’, zei zij, diepgelovig. Ik geloofde dat, merkte ik later, omwille van haar. En zo is het veelal met ‘geloven’: dat wat je aangereikt wordt, aan je overgedragen wordt.
als ganzen gakken
gebeurt er meer dan alleen elkaar
op koers zien te houden
Het zou zo troostend zijn als empathie, mededogen en barmhartigheid niet alleen aan mensen blijft voorbehouden, maar een kenmerk van alle leven wordt. Want ook voor slobeenden is er misschien meer tussen hemel en aarde.
Maar waarom kijken de overige vogels dan op dát moment niet op of om? Heeft iedere soort de eigen ogenblikken van er ‘ietwat’ voor de ander zijn – of komt dat er ooit nog van? – zoals ook tussen verschillende rassen, volken, rangen, standen; of tussen mensen die van elkaar vervreemd zijn geraakt of elkaar – in hoeveel verdriet dan ook – de rug voorgoed hebben toegekeerd? Zijn er evolutiemogelijkheden of ‘leermomenten’ die dat zouden kunnen bewerkstelligen? De hogere diersoorten getuigen er reeds in bepaalde mate van. Hiernaast getuigt het instinctieve van het groots evolutionair verworvene.
ik stak een kaars aan,
voor een god – huiswaarts kerend
de roep van een hert
Masaoka Shiki, 1867-1902
Want hoe je het ook wendt of keert: het leven is toch heus een prachtige toevalstreffer? – Immers, ooit voortgekomen uit die ene DNA-molecuul/amoebe. Waar en hoe dan ook. Het zou eveneens mooi zijn als het rachamiem daarin het zuurdesem zou blijken te kunnen zijn dat alle leven steeds meer doordesemt; dat ook bij ons de aandacht ervoor met zachte hand ‘klaarwakker maakt’; en waarbij wij ons afvragen wat zelfbewustzijn zoal mogelijk maakt; en ‘geven’ kan.
Resonantie – Het drassige landschap
TaalTeam
De vertelling over de stervende slobeend opent als een stille gebeurtenis en wordt gaandeweg een beschouwing over bewustzijn, mededogen en de vraag wat leven tot leven maakt. In het beeld van het oudje dat langzaam uit de groep wegzakt, ligt niet alleen sterfelijkheid besloten maar ook een heel universum van waarnemen. De ik-persoon kijkt, de andere slobeenden lijken half toe te kijken, de overige vogels in de omgeving lijken er helemaal niet naar om te zien. Toch gebeurt er iets van aanwezigheid waar dier en mens in dit drassige landschap in samenkomen.
De opeenvolging van klassiek-Japanse gedichten en van de auteur weeft door deze scène een tijdloos web. De bladstilte van Okamura Shohaku, de zachte opname van alles wat leeft bij ex-keizer Fushimi, de tedere herinnering van Vrouwe Murasaki Shikibu, het gakken van ganzen, vertaald door de auteur, en de terugkerende mens die bij Masaoka Shiki een kaars aansteekt, al deze zijn stemmen uit een ander en huidig tijdperk die de waarneming hier en nu verdiepen. Hun beelden tonen hoe kijken kan overgaan in ontroering en hoe ontroering kan uitgroeien tot mededogen dat tijd en plaats overstijgt.
In de tekst verschuift de aandacht van de stervende slobeend naar het vermogen van de mens om niet alleen waar te nemen maar ook betekenis aan leven en dood te geven. Bewustzijn verschijnt als gave en opgave. Wat wij zien raakt aan wat wij geloven, aan wat ouders en voorgangers ons hebben doorgegeven; aan de verhalen over schepping, natuur, mens en het goddelijke – zij blijven als achtergrondmuziek meespelen. De herinnering aan de moeder die op haar eigen wijze over vogels vertelde laat zien hoe diep geloof verweven kan raken met liefde en loyaliteit en hoe moeilijk het is om dat later na doorgronding los te laten en dit opnieuw vanuit een andere levenshouding waar te maken.
uit de schaduwen
van alle aardse dingen:
de maan van heden
Tanaka Nangai, circa 1800, late Edoperiode
De vraag of dieren onder elkaar empathie kennen wordt niet zomaar bevestigend of ontkennend beantwoord. De verteller houdt de mogelijkheid open dat er in dat drassig landschap meer gebeurt dan wij al toekijkend kunnen registreren en interpreteren. Misschien hebben slobeenden hun eigen vorm van aandacht en ontroering. Misschien is hun alledaagsheid ruimer dan de onze. Tegelijk klinkt de wens door dat mededogen geen exclusief menselijk bezit blijft maar een gegeven wordt aan al het leven – een soort zuurdesem dat langzaam in alle vormen van bestaan doordringt.
Dat verlangen naar universeel rachamiem – mededogen en barmhartigheid – raakt aan iets kwetsbaars in ons. Wij weten hoe vaak mensen zonder of weinig medeleven met elkaar omgaan, hoe makkelijk rassen, volken en families elkaar de rug toekeren. Juist daarom is het beeld van die stervende slobeend, omringd door ogenschijnlijk lichtelijk onverschillige soortgenoten en onbewogen andere vogels, zo haarscherp. Het legt ons een vraag voor: wanneer zijn wij werkelijk getuige van elkaar en zijn wij bereid innerlijk mee te bewegen als er iets zorgwekkends of droevigs plaatsvindt?
Aan het slot laat zich een voorzichtig kosmisch perspectief zien. Het leven wordt voorgesteld als prachtige toevalstreffer, voortgekomen uit onvoorstelbare eenvoud, in zich de mogelijkheid van mededogen en barmhartigheid dragend. In dat licht is de stervende slobeend geen klein natuurdetail maar wordt een groots moment van daadwerkelijkheid, waarheid, misschien zelfs: openbaring. In het bijna ongemerkte sterven verschijnt een uitnodiging om wakkerder te worden voor wat zelfbewustzijn ons kan geven: ogen die zien, een hart dat meeleeft, een waarachtige bereidheid om te beseffen wat er gebeurt.
Zijn Moment
Annelize van Dijk
Een wandelaar in een drassig landschap vertelt over wat hij ziet: een stervende slobeend… Het is een kwestie van tijd. De eend is nog even hier maar in feite al ergens/nergens. Een allerlaatste beweging, een zachte knik, zonder iets van schrik of onwennigheid. Gebeurt er iets bij de slobeenden eromheen?
Het Moment: de seconde tussen ademt en ademde. Een kop die buigt… knakt… en hangt. Een eend in het drassige veld stopt met ademen, stopt met ademen alsof het zijn dagelijks ritueel is, zo vrij van drama. Een vrije eend.
De wandelaar bespeurt onrust tussen de slobeenden eromheen. Licht stokkende keelgeluiden. Of meent hij die te bespeuren? Is enige verwarring wenselijk, misschien wel noodzakelijk om zo’n doodgewone dood te vrijwaren van elk zuchtje betekenisloos bestaan?
bij een bushalte
was een eenling op de grond
bezig met doodgaan
een gevallen voetganger
tussen volk en viervoeters
Een gebeurtenis. Aanwezigheid bij zomaar Een Moment en getuige zijn – bij toeval – van Het Moment. De eendenkop hangt. Er verandert niets, behalve bij de wandelaar. Hij zag, keek, nam waar. Onderging. Versmolten met de natuur. Zijn Moment.
Vorige tanhaibun: Dáár alleen Volgends tanhaibun: Kerven in hun ziel
