Krekelgeluid van dichtbij gaat je door merg en been maar is in een aanhoudende krekelroep-keten een en al passie; ‘O, jullie krekels, die lange en zachte en zoele zomernachten waarin koel maanlicht …’ Yakamochi
Kort, als van krekels,
is de duur van ons leven;
zie ik het zuivere
van bergen en rivieren,
zó wil ik die tijd er-zijn.
Otomo no Yakamochi, 718-788
~ ~ ~
Vannacht zat er een krekel in onze slaapkamer, ergens in een van de twee kledingkasten. Zowel de kast als de kamer werkten als een eersteklas klankversterker. Heel bijzonder. Alleen al het aanhoudend scherpe geluidsvolume van het gesjirp – de kracht ervan.
Krekels sjirpen in onderlinge samenhang, met in elkaar vervlochten roeplijnen. Zij vormen met elkaar lange reeksen van hartstochtelijk roepen, hoe eentonig dat ook lijkt te klinken. Onze krekel paste daarin, maar kon niet weten hoe ongelegen dat ons kwam.
Een en al gesjirp:
de krekelroepgeluiden
– waar, waar blijf je toch?
Tot diep in de nacht houdt het aan;
of geen vrouwtje reageert.
We zochten de kledingkast na, vonden hem niet (alleen de mannetjes tjirpen); en gingen tegen twaalven slapen; hoopten dat het lukken zou. Voor Carla viel het aanvankelijk mee (zij kan dat: slapen!). Ik werd bij de eerste de beste doezel direct overvallen door een beklemmende droom: in een ijselijk donker belaagden geluidspriemen me, ik kon geen kant meer uit, wist me ingesloten.
De geluidspriemen: ze sneden als messen, voelden als kerven in mijn ziel. Nog steeds; zoals vroeger. Een bittere herinnering; doorgaans diep weg, nu er helemaal weer. We gingen de kast uitruimen, plank voor plank, en hoorden plots een tikgeluidje bij ons bed.
De ‘tjirpenman’ was uit een kledingstuk op de plavuizen vloer gevallen; zocht een goed heenkomen. Ik zag hem toen ik het bed iets opzijschoof; ving hem; met een gevoel van deernis – hoe vreemd ook. Immers de krekel volgt zijn natuur: tjirpen in een roepketen. Het ‘ventje’ borgen we op in een afgedekt drinkglas.
op de tuintafel:
een krekel, pootjes omhoog,
doelloos de vleugels
Het bleef stil in onze slaapkamer – en: in de roepketen buiten was onvoorzien een korte maar duidelijke breuk aangebracht. Er werd in het verstoorde krekelroepgebeu-ren gewacht op een nieuwe verbinding tussen krekelroepgeluiden. Die kwam er; zomaar van ergens dan ook.
De harmonie was er weer; klonk als vanouds: langgerekte en onvervalste sjirps, zich onvermoeibaar herhalend. Bijna buitentijds.
~ ~ ~
De volgende dag heb ik de krekel elders in een open veld uitgezet. Hij zal er opgenomen worden in een voor hem andere roeplijn, hopelijk zonder al te veel last voor mensen. En ik wist intussen: de krekel en mijn beklemmende droom staan voor meer, gaan over: de kerven in menige ziel.
Het krekelgeluid
raakt aan toegedekte pijn:
jaren van alleen-zijn,
ver van thuis – want lieten na:
zoveel kerven in m’n ziel.
~ ~ ~
Bij al het mooie van mensen worden we dikwijls geraakt door het droeve, door wat wij elkaar aandoen, en vooral: waarom en waartoe? Wie zijn het die anderen de maat menen te mogen nemen, kerven in hun ziel aanbrengen? En dat dikwijls willens en wetens; en daarbij met dedain op hen neerkijken; met dat vileine glimlachen.
Zie de geschiedenissen erop na: bijna alle machtshebbers kwetsen met een scala aan zogenaamde ‘hogere motieven voor eenieder’, en tevens met de welbekende (zelf)rechtvaardiging: ‘Waar nu eenmaal gehakt wordt, vallen de nodige spaanders; niet zeuren dus.’
sjirpende krekels
tot diep in de nacht, waarin
de stilte stilvalt
Hun persoonlijkheidsprobleem is in feite uiterst simpel: een onstilbare honger naar macht, status, bezit. Hun wérkelijk zelfbesef en zelfinzicht zijn erg klein! Echter, zij reageren bij elke vorm van tegendruk (een koekje van eigen deeg) bijna altijd verontwaardigd.
Ze voelen zich dan ‘not amused’, hoogst beledigd en hoogstpersoonlijk gekwetst, ja, op hun ‘ziel’ (wat voor ‘ziel’ dan ook) getrapt en zoeken hun grote gelijk bij elkaar; en bij hun zogeheten maatjes, de jaknikkers! Een steevast ritueel. En ook – nog steeds onveranderlijk!
Annie van Tooren, mijn taalmoeder, gaf een geheel andere kijk op deze wereld, onze werkelijkheid: troostend. Een van haar verzen:
O, waar waren ooit
zulke zachte valleien
als in deze hei,
omgeven door heuvels
waar bomen groeten en zwijgen.
J. van Tooren, 1900-1991
Resonantie – De stilte stilvalt
TaalTeam
Wat mij in de vertelling ‘Kerven in hun ziel’ (kerven als meervoudszelfstandig naamwoord én als werkwoord) onmiddellijk treft, is de manier waarop het kleine, bijna banale voorval – een krekel in een kledingkast – zich opent tot een existentieel veld. Niet via analyse, maar via resonantie. Het geluid is niet zomaar geluid: het is op een bepaald moment een priem. Het snijdt, kerft en activeert lagen die enige tijd of lang toegedekt bleven. De tekst laat daarin zien hoe zintuiglijke ervaringen linea recta naar het geheugen van de ziel gaan.
De krekel zelf is volstrekt zichzelf én onschuldig. Hij volgt zijn natuur, zijn roepketen en aangeboren ritme. Juist daarin zit de spanning: wat voor de één passie en samenhang is, wordt voor de ander beklemming. Het geluid werkt als een sleutel die piepend, knarsend of onvoorzien, ongemerkt een oude deur openzet naar een droom- of gedroomde wereld. Wat dan volgt – donker, ingesloten, geen uitweg – voelt archetypisch. Geluid wordt hier macht: iets wat zich opdringt, waar je niet aan kunt ontsnappen, dat bezit van je neemt. De metafoor is helder, veelzijdig; niet eenduidig of moralistisch.
Sterk vind ik dat de tekst niet blijft steken in het persoonlijke trauma, maar het particuliere laat uitwaaieren naar het collectieve. De ‘kerven in menige ziel’ blijken geen individueel incident maar een wijdverbreid patroon; zelfs een wereldvraag. Macht, status, dedain, zelfrechtvaardiging: het zijn immers mechanismen die steeds opnieuw opduiken in de geschiedenis. De vergelijking met macabere machthebbers die ijselijke wonden slaan onder het mom van hogere doelen, is scherp maar sober. Er wordt niet geschreeuwd; er wordt vastgesteld wat ondergaan wordt. Juist dat maakt het overtuigend.
Opvallend is ook de logische asymmetrie die wordt blootgelegd: zij die kerven aan-brengen, blijken zelf nauwelijks bestand tegen rebellie of revoltes. Hun verontwaardiging is dan erg groot, hun zelfinzicht klein. De tekst raakt hier aan een klassiek psychologisch inzicht: wie geen werkelijk contact heeft met de eigen kwetsbaarheid, projecteert die op de ander; maakt die tot slachtoffer. De ziel van die ander wordt dan het slagveld, niet omdat daar rechtvaardigingen voor zijn, maar omdat men het eigen schrale innerlijk landschap niet wil, niet durft betreden; dat daarom afwijst.
Tegenover dit alles: de stilte, ook welke soms even stilvalt. De korte breuk in de roepketen, het herordeningsmoment, de terugkeer van harmonie. En: het terugzetten van de krekel in het veld. Dat gebaar is klein, maar veelzeggend. Het is geen overwinning, geen oplossing van groot onrecht; wel herstel van een natuurlijke orde. Mededogen zonder sentimentaliteit of zelfverheffing.
Een krekelhulsje
ligt leeg – heeft hij dan waarlijk
zich weggezongen?
Matsuo Basho, 1644-1694
De ingeweven poëzie – Yakamochi, Simon, Van Tooren – fungeert niet als illustratie maar als natuurlijke tegenruimte. Immers, een herinnering aan of verlangen naar een andere manier van ‘durven zijn’ in samenhang met bergen en rivieren die van nature ‘zuiver’ zijn. Alsof de tekst zegt: de kerven zijn reëel maar zeker niet het laatste woord. Er bestaat ook een landschap waarin de mens de ander niet hoeft te ‘kerven’; de ander niet laat kermen.
‘Kerven in hun ziel’ is geen aanklacht; meer een uiting van zuiver waarnemen – dat aandurven. Het vraagt daarin om goed luisteren: naar geluid, naar stilte, naar hóe ‘het kerven’ in de ander, in jezelf plaatsvindt; hoe zéér dat doet. De meest wezenlijke ethiek die de tekst aanreikt is dan ook: niet leven vanuit veroordeling maar er zijn voor en met wie in hun ziel gekerfd werden, die met kerven trachten of hebben te leven; dat wéten en dat durven ondergaan: alleen, soms met een ander, soms met elkaar.
En dan het moment om de tanka van J. (Annie) van Tooren in je op te nemen.
Vorige tanhaibun: De Slobeend Volgends tanhaibun: Met soms iets ervan
