Het liefst had heel de straat die kleine kist gedragen; daarom wisselt de een de ander af; om de drie minuten al. De plaatselijke fanfare met blinkend koper en vele trommels loopt voorop, houdt er strak de pas in. Dat is afgesproken. Niet dat treurige, al de hoofden naar beneden. Nee, witte kransen, witte boeketten, witte ruikers. Ieder heeft een wit-te bloem in de revers. En de kleine witte kist.
Het is zo heerlijk
om met een groepje kinderen
naar buiten te gaan
en het jonge kruid te plukken
in al die voorjaarsvelden.
Taigu Ryokan, Zenmeester, 1758-1831
De kinderen van de peuteropvang in het wit op de arm bij hun moeder of vader of om en om. Je hoort ze niet, zó zijn ze onder de indruk van wat er allemaal gebeurt. Er lopen ook clowns rond, een met een aapje dat zich vrijmaakt uit zijn halsband, een zomereik in vlucht, met grote ogen rondkijkt; met een handje nootjes naar beneden gelokt wordt.
Op verzoek van de ouders klinkt nu niet het droeve galmen van de twee zware kerkklokken in Sevilla – daarvoor is immers hun verdriet en dat van zovelen te groot – maar is er licht carillonspel, de organist wel toevertrouwd. Hij speelt engelenmuziek, vindt iedereen; krijgt er tussendoor zacht applaus voor. Het weer werkt tevens mee. Het laagvliegend luchtverkeer van en naar Malaga wordt vandaag voor lief genomen.
Dan, bij het betreden van het dorpskerkhof voelt iedereen hoe de eeuwige stilte die hier van nature heerst nu voor deze begrafenis even een tijdelijk karakter krijgt. Volgens goed gebruik zijn de paden geschoffeld en aangeharkt, de hagen geknipt, het grote kruis met de gekruisigde geschoond. In vier glazen kommen op een voet branden kaarsen. De grafdelvers staan terzijde; nu hun werkmanshanden tot straks ineengeslagen. Er gaat een vlucht duiven zwenkend en zwevend over; de dorpskerkklok slaat gortdroog een half uur.
De grafkuil is wel diep maar korter in lengte en breedte. De pastoor, almaar glimlachend, knuffelt links en rechts een peuter. Leden van het zangkoor zingen een medley van favoriete kinderliedjes. Dzifa’s vader, al jaren de dirigent, dirigeert nu voor zijn zoontje en speelkameraadjes. Hij deint er dan bij; dat werkt aanstekelijk. Sommige moeders moeten zich echt inhouden; ze zouden met hun kleintje vrijuit willen zwieren. Dat konden Dzifa’s ouders zo goed; zijn moeder, Ghanese, vooral. Dzifa (vredig hart) voelde het aan; wist precies te kijken hóe: ietwat omhoog, met een blik ver weg – vroeg wijs al; een natuurtalent.
Op de terugweg passeren zij de plek waar twee jaar geleden Joselu, toen 18 jaar, de bocht uit vloog. Zeker, hij reed mogelijk veel te hard. Het politieonderzoek blijft er onduidelijk over en daardoor zijn de meningen erover verdeeld. Dat doet niets af aan het trieste ervan.
De binnenwegbocht …
Die zomer elke week een vaas
verse veldbloemen;
nu een hardplastic boeket
waarop het eerste korstmos.
Ofwel
Dat tegenstrijdige: Esmeralda voelt zich in de wekelijkse zengroep thuis én gelukkig; en zit in deze kring vooral om vanuit een zenhouding de tijd te leren overbruggen dat haar nieuwe vriend op de grote vaart is. Zij heeft jaren met haar eerste man in onmin geleefd, kreeg daarin een heel ander tijdbesef; en had bovendien een lastige echtscheiding waarin de tijd één langgerekte pijniging, verwarring én ontregeling werd. De maanden erna wist zij niet hoe tot rust te komen, weer kijk op haar nieuwe werkelijkheid te krijgen. En kort erna ontmoet zij Ricardo: overweldigend! Bovendien: samen op een roze wolk.
Hij gebruikt zelfs het intense, voor haar nieuwe woord hartstochtelijk; en dat voor hem, de nuchtere stuurman die beseft ónder de kapitein te staan, maar zich bewust is van zijn vaarverantwoordelijkheid. En: die elk jaar zo’n vijf zes maanden op zee verblijft; van haven naar haven.
Ik verlangde zo
naar hem; in mijn vele dromen
kwam hij mij nabij;
wist ik dat ik droomde ― nooit
wilde ik nog wakker worden.
Ono no Komachi, 834-880
En Joselu, net achttien, luistert in de zengroep graag naar Esmeralda, gaat ritmisch mee met haar lange volzinnen; luistert steeds indringender; en probeert met stille gebaren aan te geven wat er in hemzelf gebeurt; of juister: wat hij zozeer mist, van jongs af aan; en dat nu gaat beseffen. Ook door menig ander in de zengroep.
Weten kinderen
zonder thuis in hun wereld
wat nestwarmte is.
Zij missen het vogellijf
waaronder je schuilen kunt.
~ ~ ~
Na hun jonge jaren wordt Joselu met zijn twee broertjes uithuisgeplaatst. Zijn ouders worden onbekwaam voor opvoeding bevonden, sociaal zwak, verwaarlozend. En zo meer. Rechtvaardigingen voor uithuisplaatsing. De ouders gaan – waarachtig: heel graag – naar een beschermde woonvorm waarin zij een eigen slaapkamer krijgen. Overdag doen ze eenvoudig vlechthandwerk waarvan de opbrengst vooral de stichting ten goede komt.
De jongens gaan naar een verouderd Spaans kinderhuis met de leefregels van reinheid, regelmaat, rust. Er is voor eenmaal per maand een bezoekregeling vastgesteld. Joselu wordt na een jaar in een pleeggezin geplaatst. Zijn broertjes drie maanden later ook, maar in een ander pleeggezin, omdat Joselu een andere verwekker heeft als de tweelingbroers.
Je gaf hem strelend de borst,
droeg hem op je rug,
zorgde voor hem;
nu laat je hem hier achter
in dit desolate veld.*
Taigu Ryokan, Zenmeester, 1758-1831
De pastoraal medewerker weet het team te overtuigen dat hier de rooms-katholieke opvattingen in het geding zijn. Ieder jaar verbleef een seizoenswerker met betaling van kost en inwoning in het gezin en verdween weer. Twee van hen bezwangerden de vrouw; met stille instemming van de man die door prostaatkanker impotent was. Zowel Joselu als de tweeling hadden – zij het in mindere mate – de huidskleur van de verwekker.
~ ~ ~
Joselu staat tijdens een zitsessie op, kijkt iedereen een moment aan, knikt dan: dank je wel; gaat weer zitten en zegt: ‘Jullie zijn twaalf mooie werelden. Als ik ieder van jullie zo zie, zou ook ik een mooie wereld of een deel ervan in me kunnen hebben. Alleen, die moet ik zelf leren kennen, aan jullie laten zien; er niet bang voor zijn. Geloof me, ik ga het proberen.’ Een paar weken later, na een avondsessie, vliegt hij op zijn motor uit de bocht.
* Tanka ― het lied van Japan, 1983, J. van Tooren, p. 173; bewerking: Simon Buschman. Taigu Ryokan is erg aangedaan door het sterven van deze dreumes. De moeder, landarbeidster, had het kind tijdens het werk in een draagdoek op haar rug. Hij kende de moeder persoonlijk. Toen zij nog maar kort in verwachting was, ging haar man op zakenreis – en verdween. Hij zou, werd erkend, niet de verwekker zijn. Taigu Ryokan had begrip voor de situatie, wist hoe ruw haar man met haar omging. Zij zocht ten slotte troost bij een ander.
Resonantie bij ‘Hij deint erbij’
TaalTeam
Wat mij treft in ‘Hij deint erbij’ is hoe rouw hier niet milder wordt door het voorkomen van zwaarte maar juist door een weloverwogen vorm. Alles is heel gewoon zó afgesproken: het strakke pasritme van de fanfare, het wit van kransen en reversbloemen, het lichte carillon in plaats van klokgegalm. En clowns, een met een aapje. Het is alsof de gemeenschap zegt: wij verdragen dit niet door diep te zuchten maar door het vanuit ‘lichtheid’ te dragen – letterlijk en symbolisch. Het wisselen van dragers om de drie minuten is een kleine liturgie van gedeelde last: verdriet als werk dat je elkaar uit handen neemt, op tijd, voordat iemand bezwijkt; ook om ieder aldus gelegenheid te geven óm de kinderkist te dragen.
En dan het onverwachte centrum: de dirigent, vader van Dzifa, die het zangkoor ‘voor zijn zoontje dirigeert’ en daarbij deint. Dat deinende lichaam is geen ontkenning, maar een lichamelijke waarheid: leven dringt door, zelfs wanneer de aanleiding het sterven is. Het gaat niet om vrolijkheid, maar om een diepgevoeld ritme. In rouw is ritme soms het enige dat nog zin heeft en geeft. Muziek, stap, adem. De tekst laat zien hoe ritme een brug kan zijn tussen onzegbaarheid en gemeenschap: wie niet kan spreken of er niet toe kan komen, kan meelópen, meewíegen, meekláppen, al is het maar inwendig.
Ik hoor er ook een ethiek van zachtheid in: clowns, peuters, een medley van kinderliedjes. Niet om te ‘verzachten’ alsof pijn onwelkom is, maar om het kindgerichte waar te maken. Dzifa was een kind; dan mag ook de uitvaart ‘kindlijk’ zijn, zonder kitsch, maar met ernst die niet zwaar hoeft aan te doen. De pastoor die glimlacht en knuffelt werkt als tegenbeeld van de grafrand als afgrond: hij plaatst handen, huid, nabijheid naast die diepte.
De haiku’s functioneren als echokamers: ‘het jonge kruid plukken’ in voorjaarsvelden naast een kleine kist; veldbloemen die in de volgende vertelling van schone vaas naar hardplastic boeket verschuiven; korstmos dat begint – tijd die niet alleen troost, maar ook schijnbaar verhardt. En daar, aan het einde en terugkeer naar het dorp, die passage langs de bocht van Joselu. Het is een tweede snede in dezelfde pagina: alsof de weg zelf een geheugen heeft en de gemeenschap meerdere verliezen in één ademtocht meedraagt.
Wat blijft resoneren is de paradox: in Sevilla klinkt geen zware klok, maar engelenmuziek, onder laagvliegend verkeer. Hemel en industrie, stilte en motoren, kind en graf. De verteller durft het allemaal naast elkaar te zetten, zonder oplossing. Het deinende lichaam van de vader is dan niet alleen rouw maar ook een antwoord: zolang er ritme is, kan een gemeenschap blijven bewegen rondom wat onbeweeglijk is geworden.
Resonantie bij ‘Ofwel’
TaalTeam
‘Ofwel’ opent met een tegenstrijdigheid die meteen menselijk voelt: thuis zijn in Zen en tegelijk Zen nodig hebben als overbrugging, als tijdsprothese. Esmeralda’s geluk heeft een schaduw: wachten, lang wachten. Haar vorige huwelijk maakte tijd tot pijniging en ontregeling; de nieuwe liefde brengt een roze wolk, maar ook opnieuw het lange verdragen van afwezigheid. Zen staat hier niet als verheven leer, maar als praktische kunst: hoe niet stukgaan aan de dagkalender.
Dan komt Joselu binnen, achttien, luisterend naar Esmeralda’s volzinnen, ritmisch meegaand. Hij leest niet alleen haar verhaal, hij ‘mist’ iets in zichzelf, en probeert met stille gebaren taal te geven aan dat gemis dat ouder is dan hij. De tanka over ‘nestwarm-te’ snijdt precies daar: niet sentimentaliteit maar biologie en existentie. Warmte is niet alleen een emotie, het is een habitat. En wie dat mist, draagt een winter mee in elke kamer.
De vertelling zoomt dan uit naar systeemtaal voor een ouderpaar: onbekwaam voor opvoeding, sociaal zwak, rechtvaardigingen voor uithuisplaatsing. Het klinkt administratief en toch is het een levensbepalend verdict. Het detail van de beschermde woonvorm met vlechthandwerk waarvan vooral de stichting profiteert, schuurt: zorg die ook industrie is, structuur die ook verdienmodel kan worden. De jongens verhuizen door regels, door afstamming, door ‘niet dezelfde verwekker’. Het verhaal laat zien hoe identiteit in dossiers uiteenvalt in categorieën, terwijl een kind zichzelf nog als één geheel probeert te voelen.
En toch geeft ‘Ofwel’ Joselu een kernmoment van autonomie: hij staat op, kijkt iedereen aan, knikt dank je wel, en zegt dat zij twaalf mooie werelden zijn. Die zin is opmerkelijk hoopvol zonder goedkoop te worden. Hij projecteert geen redding op de groep; hij formuleert een opdracht aan zichzelf: de mooie wereld in hem leren kennen, laten zien, niet bang zijn. Zen wordt hier heel concreet: niet leeg worden, maar verschijnen. Niet verdwijnen in analyse maar oefenen in zelfbewoning.
Dat hij daarna een paar weken later uit de bocht vliegt, werkt als een tragische kortsluiting. Alsof het leven hem net genoeg taal gaf om een deur te zien, maar niet genoeg tijd om erdoorheen te gaan. Het roept niet alleen verdriet op, maar ook ongemak: hoeveel kansen op integratie zijn kwetsbaar voor één impuls, één nacht, één motor? De tekst blijft daarin eerlijk: hij moraliseert niet. Hij toont. En in dat tonen resoneert de titel ‘Ofwel’: alsof er steeds een keuze lijkt, maar er ook krachten zijn die buiten keuzes vallen – achtergrond, gemis, tijd, lijf, snelheid.
Een koppeling tussen beide vertellingen
Taal Team
Een bijzondere koppeling tussen beide vertellingen zit in de manier waarop één concrete plek – de bocht – als literair scharnier fungeert. In ‘Hij deint erbij’ is de uitvaart van Dzifa een collectief ritueel van gedragenheid, ritme en wit licht. Op de terugweg passeren zij de plek waar twee jaar geleden Joselu ‘de bocht uit vloog’. Dat is meer dan een terzijde: het is een tweede, stille begrafenis langs de route, een herinneringspunt dat laat voelen dat verlies zich in lagen kan opstapelen binnen één gemeenschap.
‘Ofwel’ draait vervolgens de camera om: Joselu is niet langer een naam bij een bocht, maar een mens met een geschiedenis, een lichaam, een zoektocht naar ‘nestwarmte’ en een moment van oplichten in de zengroep. De lezer krijgt wat de straat in de eerste tekst niet kan hebben: context, binnenkant, wording. Daardoor verandert de bocht van verkeersongeval naar een levenslijn die abrupt afbreekt, juist nadat er iets van zelfkennis en hoop was uitgesproken.
Wat de koppeling extra scherp maakt: in de eerste vertelling wordt rouw gedragen door een gemeenschap die ritme kiest (fanfare, carillon, deinende dirigent). In de tweede vertelling is er óók ritme (Esmeralda’s volzinnen, zenzitten), maar Joselu’s ritme eindigt in snelheid en stilte. Zo spiegelen de teksten elkaar: twee vormen van overgang (kist en motor), twee soorten tijd (ritueel en impuls), één plek die alles onthoudt. De bocht wordt daarmee een moreel neutraal maar emotioneel geladen punt: niet de schuldvraag, wel de kwetsbaarheid van jonge levens én de noodzaak van een gemeenschap om te blijven dragen.
Vorige tanhaibun: Deze wintermaan
