Wintermaanlicht
over dit sneeuwlandschap –
en deze stilte.
Met ruime bochten waarlangs vroeger de boerenkar omlaagging, eindigt het jarenlang ongebruikte pad bij een vervallen woonhuis met stallen, omgeven door een kraag van hoge linden; met dicht ernaast een verwilderde boomgaard en een verzakte schuur, door klimop overwoekerd, rijk aan allerlei vogelnesten, de windvaan voorgoed naar voren geklemd, nog steeds een richting aanduidend, zij het een onbepaalde; voorgoed stil.
Hier heeft Denize met mij afgesproken, een week voordat zij met haar dochter naar Tasmanië verhuist. Zij gaat naar haar man, natuurbeheerder in een weids en streng beschermd gebied. Hij is een groot kenner van de beruchte Tasmaanse duivel, “een bruut en wreed buideldier”. Hij schrijft er professioneel over; begripvol ook, zelfs zachtmoedig.
Zij woonden jarenlang naar hun zin in een buurtschap, wat verder weg van de boerderij. Zij hield nog steeds van haar vroegere thuisplek, van de omhaagde weilanden, buizerds op jacht, het afwisselend uitzicht over dalen, de cadans van heuvels en bosschages. Vaak ging zij met haar rijpaard Shadow door het glooiend Limburgs landschap, bezocht klasgenoten van vroeger en vrienden van nu. Ook nam zij deel aan regionale springwedstrijden en won menig keer. Zij kwam in aanmerking om bij het provinciaal team ingedeeld te worden. Toch besloot zij met haar dochter én met Shadow haar man na te reizen. Immers, zijn passie: Tasmanië. Zij besefte meer en meer wat een passie voor een mens betekent: ten diepste geraakt worden, dat onvoorwaardelijke, ergens hoe dan ook voor gaan. Dat besef kon ook gelden voor haarzelf met haar rijpaard, maar dat hield zij bij een hobby.
Telkens bij het zien
van de herfstmaan, vol van glans,
wordt mijn hart
– je weet hoezeer – herinnerd
aan het verre verleden.
Taigu Ryokan, 1759-1831
Denize (haar moeder koos voor Denise, haar vader voor Deniz. Het werd: Denize) vertelde mij indertijd dat zij opgroeide op boerderij De Schoer. Haar moeder was ooit het buurmeisje van haar vader. Bij het huwelijk kreeg hij er een paar hectaren weiland bij; plus zes koeien. Denize ging veel met haar vader mee; vooral met de paard-en-wagen; en voerde vaardig de leidsels. Zij hielp bij het roskammen van de twee werkpaarden.
Haar moeder kreeg na Denize twee miskramen. De dokter adviseerde geen zwangerschap meer te willen. De pastoor was daarop tegen: ‘Durf vertrouwen op de Heer.’ Haar vader luisterde, knikte aandachtig; en ging de volgende dag met zijn vrouw naar de dokter om zijn advies te bespreken. Dit zou ook kunnen betekenen: het einde van de Schoer-generatie hier. In de verre omtrek staan meer verlaten boerderijen te verkommeren en die van hen ligt zeker niet gunstig voor verkoop of overdracht. Denize had bovendien aangegeven geen opvolger te willen zijn; daar was alle begrip voor. Sterker nog, haar vader ontraadde het haar ten zeerste wanneer zij eens een ‘misschien toch ja’-moment had.
Toen Denize aan de kleuterschool toe was, bracht en haalde haar moeder haar. Maar, in de zomervakantie vóór de lagere school kreeg zij een pony: Bonnie. Haar vader leerde haar ponyrijden; met een tweezitszadel. Dan kon een klasgenootje met haar meerijden naar de boerderij, daar samen spelen, de koeien zien melken, door de boomgaard rennen, naar de stier kijken. En op tijd weer naar ‘het dorp beneden’ teruggebracht worden.
~ ~ ~
Die winterdag, toen het urenlang sneeuwde, verdwaalde ik tijdens mijn trektocht, kwam bij hen terecht, mocht er overnachten, bleef een kleine week. Ik was in die tijd (amper twintig) onderweg om ‘al dat van gisteren’ in mijzelf te verhelderen, de gebeurtenissen een plaats te geven, het zware ervan minstens te ontdoen van al het overbodige. Ik trachtte een vriendelijk, volgzaam personage te worden waarachter ik me goeddeels schuil kon houden, zo mijn leven leidend. Zoiets als van een onopvallende kluizenaar.
Er is geen hemel meer,
geen aarde meer – alleen nog
dit almaar sneeuwen.
Hajiware Hashin, geb. 1864
Haar moeder – Limburgs katholiek – vond ‘ons tweetjes’ maar niets: deugnieten. Zij hield ons in de gaten met het idee dat dit kon helpen. Of: haar geloofsovertuiging noodzaakte haar ertoe. Haar vader zei niets, knikte soms naar ons. Wij hadden ónze week; en ik ging.
~ ~ ~
Wij lopen nu, zoveel later, weer gewoon hand in hand, niet verlegen, elkaar niet ontwend; vertellen vooral over onze week, Denize tot in de kleinste details. Af en toe staan we ervoor stil. Menig moment is als nieuw voor me; zó kijk ik haar dan aan en glimlacht zij bedeesd terug. Toch, ik weet heel goed wat er in haar omgaat; merk dat bij mijzelf. Dan gaat zij mij vooruit naar de achterzijde van het woonhuis, wacht op mij en kijkt omhoog naar zowel haar slaapkamerraam als ernaast mijn logeerkamerraam. Ik sla een arm om haar heen, zij een om mijn middel. En wij neuriën samen – met gesloten ogen – een kinderliedje dat zowel zij als ik ooit op de kleuterschool, ver van elkaar, zong.
Toen, op die donderdagavond bij volle maan, praatten wij wat, zomaar; waarna even stilte. En licht zuchtend knikte Denize een ‘ja’ en zei: “Weet je, ‘Je bent en blijft mijn wintermaan.’ – Ik aarzelde, kwam tot: … ‘Misschien zien wij … ’. Zij legde haar rechterwijsvinger op mijn lippen; ik kuste die. De volgende dag vroeg zou ik vertrekken; en ging.
Koud deze maannacht –
je hoort het zoevend suizen
van vleugelslagen.
Matsukoa Seira, 1739-1791
~ ~ ~
Denize stuurde mij na vele jaren een brief, zonder afzendadres; wel met een speciale serie postzegels: 2x vier Tasmaanse landschappen die prachtig in elkaar overlopen. Zij schreef over hoe de sneeuwwitte Limburgse velden ooit dat frisse groen kregen, over lentedagen na onze winterweek die er voor haar reeds alles van hadden en waarin de vele vogels gingen nestelen. ‘Maar toch, ik verlangde terug naar onze winterdagen.’ Over al die ogenschijnlijk dagdagelijkse ervaringen en wat zij daarin doormaakte, schreef, nee: vertélde zij. Over hoe de hoge lindenkraag – straks hun wee-zoete geur – dichtliep, haar het uitzicht vanuit haar slaapkamer ontnam, ook van de maan en sterren. Tot de herfst.
Wij hebben die laatste keer – Denize: ‘Voor altijd!’ – afgesproken: ‘Over onze dochter zwijgen wij, ook naar elkaar.’ Dat deed zij in de vele kantjes die ik las, herlas; zinnen ervan die ik bijna alle woord voor woord nalas. Ook tussen de regels van haar brief door, zweeg zij. Tevens over haar man, bonusvader van onze dochter; door hem waarschijnlijk geëcht; voor mij voorgoed een dochter zonder naam. Misschien daarom – zeker niet allereerst – zocht ik naar enig teken; meende soms, Denize … maar toch steeds weer niet. Zelfs niet toen het over Shadow ging. Zij het dan had over de vele uren in het Tasmaanse landschap.
Resonantie – Authenticiteit of uniciteit?
Erik Heijerman
In deze vertelling zijn wij getuige van een afspraak tussen de verteller en Denize, een vrouw die ooit opgroeide in en rond een Limburgse boerderij. Zij hebben elkaar daar lang geleden ontmoet. De verteller was amper twintig, maar had ondanks zijn jeugdige leeftijd toen al de behoefte om wat hij ‘al dat van gisteren’ noemt in zichzelf te verhelderen, er wat zwaarte vanaf te nemen.
Dat klinkt als therapeutische taal. De verteller kijkt dan blijkbaar terug op zijn jongvolwassen jaren. Hij moet in zijn jeugd het nodige hebben meegemaakt, spreekt immers van ‘het torsende’ van dat zware. Een volgzaam personage wil hij worden, een soort kluizenaar. Of hij daar aan toegekomen is, wordt uit het verhaal niet duidelijk, maar wel wordt duidelijk dat de ontmoeting met Denize niet zonder gevolgen is gebleven, want hij verwekte bij haar, zo bleek achteraf, in die week een kind. Dit ondanks het toeziend oog van haar moeder die dacht dat ze ‘de deugnieten’ vanwege haar geloof in de gaten moest houden; vader echter knikte soms alleen maar even. Zo hadden de verteller en Denize hun week.
Wanneer de verteller heeft vernomen dat hij een dochter heeft, weten we niet, net zomin of Denize en hij elkaar later nog wel eens zagen. Misschien heeft hij zijn dochter zelfs nooit gezien. Hoe het ook zij, vermoedelijk heeft Denize met de verteller contact opgenomen om elkaar nog één keer te ontmoeten en voorgoed afscheid te nemen. Zij staat namelijk op het punt om naar Australië te vertrekken om zich met haar dochter bij haar man te voegen.
Als ze bij de inmiddels vervallen boerderij staan, beleven ze hun week samen nog een keer. Zij noemt vele momenten die hij zich niet meer herinnert. Ze kijken, de armen om elkaar heen, naar wat toen haar slaapkamerraam en zijn logeerkamerraam was. In een van de twee kamers moet het kind zijn verwekt. ‘Mijn wintermaan’, noemde ze hem indertijd. De aanhefhaiku geeft uitsluitsel over de betekenis hiervan: ‘Wintermaanlicht / over dit sneeuwlandschap – / en deze stilte.’ Als de verteller de wintermaan is, valt alles wat zorgelijk of problematisch is voor Denize weg.
Tijdens de ontmoeting spreken ze met elkaar af dat ze over hun dochter zullen zwijgen, wat haar betreft ‘voor altijd’. Wil zij dat omdat ze nog streng katholiek leeft of het nodige van haar katholieke opvoeding heeft overgehouden? Zou het onbedoelde kind daarmee een schande voor haar en het gezin hebben betekend? Maar waarom stemt hij dan met de afspraak in? Om Denize tegemoet te komen?
Als ze later in Australië woont, stuurt ze hem ‘na vele jaren’ nog eenmaal een brief waarin ze over allerlei dingen die ze doormaakte spreekt, behalve over haar dochter. De verteller speurt en speurt of ze toch nog iets over het kind zegt, maar kan zelfs tussen de regels door niets ontdekken. Denize komt hun afspraak dus na, met als gevolg dat zijn dochter hem niet wordt gegund. Hij wordt gedwongen om slechts als verwekker verder door het leven te gaan, en niet als vader. Want de vaderrol is overgenomen door de man van Denize, die nu ‘bonusvader’ is.
Wat betekent het dat het vaderschap aan de verteller is ontnomen? Denizes moederschap staat niet ter discussie, het kind is uit haar geboren. Maar de verteller heeft niet de mogelijkheid gekregen om een relatie met zijn dochter op te bouwen, en haar zo de mogelijkheid te bieden om een unieke identiteit te ontwikkelen. Dit is wat de filosoof Joachim Duyndam in zijn beschouwingen over vaderschap adoptie noemt, dat bij hem een existentiële betekenis heeft1. Een vader adopteert zijn kind als hij het in zijn bestaan bevestigt, erkent, het gevoel geeft gewild te zijn. Het is de performatieve, vaststellende taalhandeling die in alle evangeliën door de stem uit de hemel wordt voltrokken bij de doop van Jezus door Johannes de Doper in de Jordaan: ‘Jij bent mijn geliefde zoon.’
Deze adoptie kan volgens Duyndam in principe ook door de bonusvader worden genomen, want hij is niet alleen voorbehouden aan de biologische vader; denk bijvoorbeeld aan homoseksuele stellen die een kind opvoeden. Misschien dat de verteller juist daarom ook zo graag iets over hem te horen wil krijgen, omdat hij dan zou weten dat zijn dochter ook door de man van Denize erkend wordt. Immers, hem is de kans ontnomen om zijn dochter te ‘adopteren’, het kind te laten weten dat het (achteraf) door hem gewild is, en uitverkoren en erkend wordt als een uniek persoon.
Dit idee was vroeger in christelijke kringen gangbaar. Je identiteit hing af van de unieke vader-kindrelatie die God met elk individu had: je mocht je Gods kind weten, door Hem als uniek en geliefd persoon gewild. Na ‘de dood van God’ is die religieuze constructie van identiteit vervangen door een post-religieuze constructie van het zelf: je identiteit hangt af van wat je doet en bereikt, van je status, smaken en voorkeuren, je authenticiteit. Die heeft volgens Duyndam in de moderne tijd de plaats ingenomen van uniciteit. Hij betreurt dat, want die erkenning van uniciteit is enorm belangrijk voor ieder van ons. Wie niet als uniek persoon erkend wordt, kan zich overbodig gaan voelen.
Dat is volgens Duyndam een groot gevaar, dat zich in onze ‘globaliserende en anonimiserende wereld’ gemakkelijk kan voordoen. En dat zou een tragische ontwikkeling zijn, want het besef overbodig te zijn is een afschuwelijk gevoel. Daarom zouden vaders in deze tijd van erosie of zelfs crisis van het vaderschap eigenlijk weer de lege plek moeten innemen die door God is achtergelaten. Hun specifieke vaderrol is het adopteren van hun kinderen, het erkennen en waarderen van hun unieke identiteit. Uniciteit is een relationeel concept: je bent uniek en onvervangbaar voor iemand.
De adopterende vader is de eerste die zijn kind kan uitverkiezen en als een unieke persoon kan beschouwen. Dat is belangrijk voor de ontwikkeling en het zelfbesef van het kind, maar het is omgekeerd ook voor de vader zélf van existentiële betekenis: dat hij er kan en mag zijn voor het kind dat hij verwekt heeft. Idealiter betekent dit dat het kind dat voor hem geadopteerd is, in de loop van zijn of haar leven ook haar vader zal adopteren, bewust zal erkennen als de unieke persoon die haar vader is. Beide mogelijkheden – de adoptering van het kind door de vader en de adoptering van de vader door het volwassen geworden kind – worden de verteller door Denize ontnomen. Dat moet voor hem een bijna ondraaglijke gedachte en ervaring zijn.
1 Zie Joachim Duyndam, Twaalf vaders. Of wensdenken en geloofwaardig vaderschap. Amsterdam: Nieuwezijds 2004.
Vorige tanhaibun: Als een verwijzing Volgende tanhaibun: Hij deint erbij – Ofwel
