Met soms iets ervan

Een bries – wat blaadjes
dwarrelen met elkaar
naar de bosgrond toe.

Wanneer het weer het toelaat, al is het maar een beetje, zit Ans op maandag, woensdag, vrijdag op het bankje aan de parkvijver. Een broodje, vers sinaasappelsap, een sigaret. Wat dommelen, nog eens de laatste e-berichten bekijken, aantekeningen over vanmorgen maken. En gaat dan terug naar het zorghuis voor demente of bijna demente ouderen. Die wereld waarover veel nagedacht en gediscussieerd wordt, waarin veel vermoed maar ook onverklaard blijft; en voor de bewoners vooral om iets van ‘nabijheid’ wordt gevraagd.

In het zorghuis behartigt het hoofd de bewonersbelangen, onderhoudt de buitencontacten, begeleidt de teams zorg, verpleging, voeding, hygiëne en wie de activiteiten doet.

Bij binnenkomst in de huiskamer ziet Ans direct wie zich – hoe lang al? – diep in zichzelf ophouden, hun hoofd op de borst, menig keer met wat lui gebrom, een kreet slakend of zuchtend ontwaken – zonder op of rond te kijken. Zij maakt hier notities van.

Enkelen van de 15 bewoners zitten zomaar wat te zitten. En Peter die met een hand over het tafelblad schuift, haar ziet, knikt; met even iets van een glimlach. Van haar, de activiteitenjuf, wordt verwacht, los of het ervan komt: met elkaar dingen doen; of-ut proberen.

Of veel luiken hier
gesloten zijn, dicht de deur;
of zomerzoelte,
herfstgeluiden, winterlicht
van een wereld elders zijn.

Biootje Simon Buschman: “Gemiddeld worden mannen zo’n 80 jaar. Ik ben onderweg naar de 85 en vraag me toch meer dan soms af: Hoelang nog? En hóe? “

 

Resonantie – Iets dat opleeft
TaalTeam

In het openingsvers, een haiku, dwarrelen blaadjes ‘met elkaar’ (wat hier méér is dan ‘samen’) naar de bosgrond: dit doet denken aan een voorzichtige beweging die ingezet wordt door een bries, de meest lichte vorm van de wind. Hiermee wordt gezegd wat deze tekst blijft herhalen: demente of dementerende mensen die losraken van taal, van zichzelf en tijd, van op den duur bewustzijn, zoeken nog altijd naar een minimale vorm van samenzijn, naar meedrijven op gebeurtenissen, zoals bij zingen dat een vorm van ergens landen in het grote niets is.

De medewerkster voor activiteiten: het bankje aan de parkvijver is haar tussenruimte. Daar ademt zij even uit buiten het zorghuis, met een broodje, sinaasappelsap en een sigaret, alsof zij zichzelf oplaadt in het gewone buiten het buitengewone van het zorghuis. Daar kijkt zij eveneens terug op notities, leest e-mails na in het besef dat zij zo weer binnenstapt in een wereld die veel oproept en nog – in essentie – weinig verklaart. Het zorghuis waar voor de bewoners niet allereerst om kennis wordt gevraagd, wel om de zachte werkelijkheid van ‘nabijheid’.

Binnen (weergegeven in het tweede vers, de tanka) ziet zij de vele gesloten luiken. Lichamen die ‘naar binnen vallen’, geluiden die niet bedoeld zijn als boodschap en toch iets willen zeggen. En dan die hand van Peter over het tafelblad: het knikje, de glimlach die net niet verdwijnt. Het is geen oplossing, hooguit iets dat opleeft, misschien uitnodigt.

 
 

Vorige tanhaibun: Kerven in hun ziel          Volgends tanhaibun: Piezjoe-piezjoe