Resonanties – nabeschouwingen I en II

Resonantie – Nabeschouwing I – René van Rooij
Bespiegelingen voor Simon Buschman en over ons beiden

Wie is hij? Psycholoog, relatiedeskundige, organisatiegenezer, traumatherapeut, schrijver, dichter, man van Carla … of vriend? Ik had bijna geschreven: ‘gewoon vriend’. Maar zo’n wezen bestaat niet. Het is niet zo ‘gewoon’ om vrienden te hebben. Als ik terugkijk op mijn bijna 80 jaar heb ik veel ‘vrienden’ zien komen en gaan. Nu kan ik de overgebleven vrienden op de vingers van één hand tellen. Ik herinner me dat het mijn vader ook zo verging. Op zijn sterfbed, hij was bijna honderd, restten voor hem alleen nog zijn twee kinderen, aanhang en (achter)kleinkinderen. Hoe vaak bezochten ze hem, de laatste jaren?

Simon, Carla en ik waren elkaar bijna uit het oog verloren tot wij ons contact een klein jaar geleden hernamen. Ik was inmiddels mijn lieve eerste vrouw Giny aan alvleesklierkanker verloren, en hertrouwd met Hilda. Tussen Hilda, Simon en Carla klikte het meteen. Dat voelde je. Dat voel je bij vrienden.

De weinigen die ik nog tot mijn vrienden reken, ken ik vooral van mijn werk. Dat geldt oorspronkelijk ook voor Simon. We ontmoetten elkaar in de burelen van KPN, bij Voorburg, onder de rook van de ambtelijke torens van de Hofstad. Nu zie ik Simon als een hartsvriend van het geschreven woord.

Ik zal hem tot mijn laatste snik dankbaar blijven dat hij me destijds uitnodigde om een bijdrage voor een verhalenbundel te schrijven. Het thema was ontmoetingen. Ik schreef over mijn eerste ontmoeting met Giny. Woorden die uit het hart via mijn vingers het toetsenbord van mijn laptop instroomden en kwiek op het scherm sprongen. Dat stimulerende effect had Simon op mij. Zo gaat dat met een vriend. Hij kan méér dan jou tot schrijven stimuleren. Hij kan je verbazen, verwonderen, aan het denken zetten. Onlangs deed hij dat weer met zijn nieuwe bundel Verteld & Beschouwd. Het boek is een gelukkig huwelijk tussen proza en poëzie. Het bevat een keur aan pregnante korte verhalen met psychologische diepgang, afwisseling en kwinkslagen, en vooral bijzonder door de ‘spiegelstructuur’. Elk verhaal wordt deskundig maar mild gespiegeld door de filosoof Erik Heijerman.

Deze bijzondere opzet geeft mij aanleiding tot een aantal kanttekeningen.
Als ijverige lezer kan het je lui maken omdat je je na lezing van een verhaal van Simon niet meer gaat inspannen om het te duiden: dat doet Erik Heijerman immers al voor je. En: als luie lezer laat je de spiegelstukken misschien ongelezen.

Een kanttekening bij de eerste kanttekening: de heel ijverige en eigenwijze lezer kan het spiegelwoord op zich laten inwerken, het verhaal waarop het terugslaat herlezen, bij zichzelf te rade gaan of hij op zijn beurt kanttekeningen heeft bij het filosofische nawoord.

Bij deze kanttekeningen past overigens een derde: naarmate de jaren verstrijken gaan de wijzers van de klok sneller draaien, moet je krenteriger met je tijd omgaan waardoor je minder snel in de carrousel van lezen, herlezen, analyseren, lezen, herlezen stapt …

Dat laatste geldt zeker voor iemand die met het schrijfvirus is behept. De inkt van mijn zuigeling ‘Moord in Benoordenhout’ is nauwelijks droog, of in mijn breinbaarmoeder is al een zaadje gelegd voor een nieuw project: een nieuwe novelle in de taal van Proust … waarin –Marcel draait zich om in zijn graf– een Dreyfusiaanse moord wordt gepleegd. Het project is onmogelijk, het is pedant, en toch ga ik ermee door, onder het motto: What have I got to lose?

Zullen ze me het, als ik (hopelijk nog lang niet) door de Zeis ben geveld, ‘daarboven’ vergeven? Simon wel, want vrienden vergeven veel. En wat Simons ‘Daarboven’ betreft: een leven in een notendop als verhaal waarbij de lezer zich steeds afvraagt: heeft hij en zijn dubbelganger bestaan, of is hij (‘zijn zij’? …) breinkind(eren) van Simon? (*)

Knap, die interessante beschouwingen van Simons TaalTeam over het verhaal van de Commando die eindelijk ‘thuis’ kwam.

Voor Hilda en mij is het thema ‘thuiskomen’, met onze (nog) drie woningen, interessant. Het verbaast me telkens weer dat, als ik in één van de drie ’s nachts moet plassen, zelfs slaapdronken weet of de wc links of rechts van de slaapkamer is. De flat in Leiden, die ik had gehuurd voor een eenzaam bestaan na Giny’s dood, is nu onze pied-à-terre. Als we er op vrijdagavond om een uur of acht, na in Soest onze wekelijkse speltbol te hebben gegeten, binnenkomen, zijn we thuis. En zo vergaat het ons ook in onze andere twee ‘(t)huizen’.

Over dat begrip (t)huis zweeft overigens vierentwintig-zeven het beeld voor de geest van mijn lieve grootouders Joseph en Alida die ik nooit heb mogen kennen omdat er in de zomer van 1942 op de deur van hun huis werd gebonsd waarna ze hun ondergang tegemoet gingen. Binnenkort worden op de stoep voor dat huis Stolpersteine ingemetseld.

Giny en ik zijn zo’n twaalf keer verhuisd. Tijdens haar laatste maanden besloot ik na haar dood naar een minuscuul flatje te verhuizen met niet meer dan een eettafel, een bed, een stoel en een boek. Voor mij voldoende ‘thuis’. Maar ook dat plan is in duigen gevallen, met liefdevolle dank aan de tweede grote liefde van mijn leven. En daarmee is de cirkel weer rond.

Zo zie je, gewaardeerde lezer, hoe de taalcreaties van mijn vriend Simon mijmeringen oproepen. Mag ik ze in more Simonis in dit kerstboompoëem samenvatten?:

LEEF-TIJD
/ \
Weet
Als schemer
Nu jouw leven tekent
Jezelf een schakel in een keten
Tussen leven
En vergeten.

(*) Autofictieve vertellingen gaan doorgaans over persoonlijke ervaringen van een auteur, waarvan diepere gevoelens en emoties (ton tréfonds) zich transformeren in ‘nieuwe teksten’ die ogenschijnlijk ‘van elders’ komen: transfictie. Bovendien treedt de auteur zelf hierin terug.

 

Resonantie – Nabeschouwing II
TaalTeam

Wie de drie lagen leest die zich rond ‘Daarboven’ hebben gevormd – de vertelling zelf, de resonantie ‘Grenzen’ en Nabeschouwing I van René – merkt al snel dat het steeds minder over een commando gaat en steeds meer over de stille kunst van samen mens-zijn. Wat begint bij een man die in uiterste omstandigheden moest handelen, dat eindigt bij vrienden, René en Simon, die eerst met elkaar samenwerken en elkaar op een later moment in taal en leven ontmoeten, daarin bij elkaar thuiskomen. René vertelt op geheel eigen wijze over zijn rijke leven. Wij hebben ervoor gekozen om in deze Nabeschouwing II ons vooral te richten op vriendschap en op het thema ‘thuiskomen’.

In ‘Daarboven’ staat Gerard midden in een wereld waarin grenzen scherp getrokken lijken. Frontlijnen, opdrachten, loyaliteit aan een eenheid. Toch schuurt daar al iets. Hij kan de offers van machtelozen – de arme sloebers – niet aanzien en doet wat hij en zijn dubbelganger kunnen om hen uit de greep van de machtige Spaanse clerus te houden. De resonantie ‘Grenzen’ laat zien hoe die uiterlijke moed verbonden is met een innerlijk kompas dat niet ophoudt bij het uniform. En de zwaarste last is niet wat hij in opdracht deed maar juist wat buiten de opdracht om gebeurde: dat ene grensoverschrijdende moment met een vrouw van de vijand. Dat was de schending van zijn eigen maatstaf van trouw.

Daarmee verschuift de vraag van oorlog naar het vraagstuk van ‘nabijheid’. Niet langer: hoe gedraag je je in het heetst van de strijd. Maar: hoe leef je verder met wat er hoog op zolder – diep in jezelf – ligt opgeslagen. Het mondt voor Gerard uit in: de ladderval, het krikkebenen door het huis, de fles binnen handbereik. En daarbij Natasja die blijft, die luistert en die niet wegkijkt. Het zijn allemaal beelden van een vriendschap die zich misschien ‘laat’ laat zien, namelijk: wanneer bij iemand zijn pantser niet meer werkt.

René’s Nabeschouwing I legt daar een tweede levenslijn naast. Hij schrijft over de schaarste van echte vrienden en over hoe Simon in zijn leven een blijvende plaats heeft gekregen. Niet alleen als collega in burelen en projecten, nu vooral als hartsvriend van het geschreven woord. De toon in de gebeurtenissen en anekdotes is licht en toch ook doortrokken van verlies: de dood van zijn eerste vrouw en familieleden. En dan de nieuwe liefde, het wisselen tussen drie huizen waar hij toch telkens weer thuis weet te komen. En steeds de vrienden die meekijken, meelezen, e.e.a. wel eens doorprikken en vergeven.

Op onze vraag noemt Simon drie vormen van vriendschap: de fijne, de dierbare en de liefdevolle. In het spoor van deze teksten wordt duidelijk dat het hier niet om gradaties in waarde gaat maar om verschillende kamers in hetzelfde huis. De fijne vriendschap is het lichte vertrek met open ramen waar je samen kunt lachen, spelen en dwalen. De dierbare vriendschap is de kamer waar herinneringen (ook met ontgoochelingen) aan de muur hangen en waar stilte vooral niet ongemakkelijk is. De liefdevolle vriendschap is misschien wel de kleinste binnenkamer waarin je ook wordt toegelaten tot de schaduwkant. Daar waar naast de meest innige genegenheid eveneens schuld, schaamte en gemis ‘aan het woord’ mogen komen zonder dat de ander zijn stoel wegschuift.

Gerard vindt in zijn laatste etmaal een taal om zijn diepste falen uit te spreken. Hij wenst dat wanneer beide vrouwen ‘daarboven’ aangekomen zijn, hij eindelijk een waarachtig sorry kan zeggen. René vraagt zich in deze zin ergens glimlachend af of hem zijn eigen pedante schrijfplannen (natuurlijk: mild ironisch bedoeld) vergeven zullen worden en weet tegelijk dat Simon dat allang gedaan zou hebben. In beide gevallen is vergeving namelijk geen groot gebaar maar een bijna vanzelfsprekend teken van vriendschap. Vrienden vergeven veel, schrijft René dan ook terecht. Vrienden verdragen tevens veel. Zij blijven in levensgebeurtenissen naast elkaar staan waar anderen onrustig naar de uitgang kijken.

Zo groeit rond ‘Daarboven’ een kring van mensen die op hun eigen manier met eigen en andermans grenzen leven. Gerard in zijn oorlog en zijn geheim. Natasja in haar onderzoek en stille nabijheid. Zijn zoon die inwoont en vertrekt, Ilonka die blijft omwille van Natasja – én ‘ietwat’ voor haar schoonvader. René met zijn geliefden en in zijn wisselen tussen huizen (woon- en leefplekken) en levensfasen. Simon in zijn schrijven van autofictieve vertellingen en anderen ertoe uitnodigen. En daar tussendoor het TaalTeam dat woorden zoekt voor wat onderhuids blijft of ‘lichtelijk’ doorschemert. Vriendschap wordt zo een vorm met allerlei kanten en zijden in thuiskomen. Niet een huis zonder breuklijnen, wel een plek waar ook onderbroken lijnen voor René en Simon een leesbaar schrift vormen.

Wat deze teksten ten diepste oproepen: wij zijn almaar onderweg, maken tussenstops, weten wat verdwalen ons kan géven, we durven blijven uitzien naar ‘het daargindse’. En vragen ons waarschijnlijk voortdurend af of we wel of niet thuis zullen komen en dán: thuis-zijn en thuis-blijven. Zie het opschrift van Martha Nussbaum.

En – in ware vriendschappen herkennen wij (na de laatste snik) misschien iets van ‘het daarboven’ dat tegelijk heel gewoon en heel gracieus is: een uitdijende hemelse ruimte voor zovelen, verweven in vriendschappen, waarin ook René en Simon met Hilda en Carla elkaar vaak onbevangen ontmoeten en met elkaar zorgeloos de eeuwigheid doorbrengen.

 
 

Vorige tanhaibun: Daarboven