Om de week bezoek ik vader; mijn zus de andere keer. Hij woont al ruim twee jaar in dit verpleeghuis. Een auto-ongeluk. Hij overleefde het, met nare gevolgen door hersennevel: een beschadigd werkelijkheidsbesef, ernstig spraakverlies, soms grenzend aan wartaal, (alleen nog losse woorden, tenzij hij zingt), bijna elke nacht onrustig slapen. Overdag enkele ‘slaapjes’, ook op de meest ongelegen momenten en plekken – tijdens de lunch, voor andermans deur, op het toilet, ergens in de tuin. Hij is hierna opstandig of in-en-in droef. Er zijn ook mooie momenten, verzekeren de verpleegkundigen: elke ochtend rond acht uur zit hij, altijd goed in het pak met steeds dezelfde donkerrood gestreepte stropdas, aan zijn ronde tafeltje met een karaf lauw water en zijn (sinds zijn opname) blauw-getint glas.
Hij legt zijn onderarmen en handen een voor een links en rechts ervan, wacht op het moment dat hij zijn bekertje met medicijnen krijgt; ondertussen neuriënd en naar de personeelsdeur kijkend; ja, bijna altijd met een glimlach. Soms veegt hij wat tranen weg, buigt zijn hoofd diep naar voren, heft zich weer op, een chanson zingend in een prachtig Frans. Het repertoire is opmerkelijk veelzijdig.
Midden door de stad
stroomt een rivier – erlangs
staan oude wilgen.
Masaoka Shiki, 1867-1902
~ ~ ~
De verpleegkundige die op dat moment de avondmaaltijdkeuzes opneemt, wordt weggeroepen voor de telefoon. Vader pakt het schrijfblok en begint keurig op de lijntjes woorden te schrijven, sommige zonder spatie maar alle goed leesbaar. Hij zegt ze fluisterend, soms hardop, en steeds zonder er zichtbaar op te reageren. Sindsdien krijgt hij een blanco vel. Hij schrijft dat vol, het meeste met dubbele ‘ee’ woorden: geef, vreemd, leef, en ook: vergeeven, neemen, achterweege. De ee-klank correspondeert met zijn voornaam: Cees, vroeger: Keesie, nu gebruikt door de huismeester. Vader kijkt dan langs hem heen, legt de handen aan zijn oorschelpen, blaast met dichte ogen een flinke, boze ‘ademstoot’ uit.
Iedere morgen krijgt hij na het ontbijt twee boterhammen en zegt de verpleegkundige: ‘Mussen’. Vader staat op, loopt door de lange, kale gang naar de achterdeur. Onder het groenige afdak staat zijn stoel. Er hippen al heel wat vogels over het tuingras. Ze vliegen even op wanneer hij naar buiten komt, komen echter vrijwel direct terug; rondom hem.
Dan maakt hij allerlei vogelgeluiden, gooit de stukjes brood een voor een naar de bonte verzameling. Hij blijft nog een kwartiertje zitten, soms met betraande ogen, wat knikkend, staat op, maakt een afscheidsgebaar met lichte buiging, gaat naar binnen; doet de deur zacht dicht; kijkt nog even om. Ergens in de gang gaat hij zitten en kijkt lang naar de grond.
Uit de laatste vlucht
raakt een sneeuwgors achterop –
verder en verder.
Hij heeft een rijke collectie cd’s met Franse chansons. En een klassieke pick-up. Hij voert alle handelingen om ernaar te luisteren moeiteloos uit; zonder aarzelen, handvast. Hij luistert een poosje, staat op en begint te dirigeren, zuiver op de maat, neuriet mee, lichtelijk naar voren gebogen, ritmisch heen en weer bewegend. Soms de armen ten hemel. En ineens stopt vader ermee. Hij loopt met grote stappen weg, donkere geluiden makend; iets – naar wie dan ook – nadrukkelijk ontkennend, bezwaar om iets makend, misschien om iets kwetsends. Hij lijkt meer dan aangedaan.
~ ~ ~
Voor mijn zus en mij is het meest bijzondere: een plastic zak vol foto’s. Deze worden in zijn kamer (alleen daar) over de tafel uitgespreid. Vader kijkt er eerst een poosje naar en legt vervolgens alle foto’s met het beeld naar boven; maakt dan – iedere keer weer anders – groepjes van de meest uiteenlopende foto’s, mompelt erbij, pakt af en toe de hand van mijn zus en, als ik er ben, van mij en geleidt die door zijn foto-wereld. Soms gaat hij achteruit zitten, kijkt ontspannen naar het lage plafond, knikt instemmend, iets van zang erbij, zijn hoofd knikkend in non-non of oui-oui. En, bijna iedere keer legt hij de karaf-met-glas-foto (door mijn zus ooit gemaakt) vlak voor me neer, legt mijn hand erop, neemt die weg, kijkt naar buiten, pakt vervolgens de foto met een droef engeltje (op de achterzijde staat goed leesbaar: voor jou) en dé foto van zijn eerste liefde, een chansonnière.
Zij kregen een dochter die na een vrolijke jeugd maar haar ‘onduidelijke’ jeugdjaren rond haar achttiende nooit meer contact met hem wilde; en alleen nog deze foto stuurde; met: ma mère. Het waar, wanneer, waarom en waartoe zijn ons tot op de dag van vandaag onduidelijk gebleven. Die foto legt hij áchter de karaf-met-glas-foto en die met het engeltje, kijkt er nadrukkelijk naar, sluit zijn ogen en verzucht iets onhoorbaars, iets dat hem ten zeerste raakt – hij legt immers zijn rechterhand op zijn borst, op de hartstreek. Na die tijd die almaar lijkt te duren maakt hij een wat ‘opener’ gebaar, neemt de foto in zijn hand, zegt vrijuit op zangtoon: la carafe, ta mère, la carafe, la mer. Dan stapt hij op, loopt waardig de kamer uit, keert pas na een paar minuten terug. De verpleegkundigen zeggen dat hij in die tijd de lange gang heen en weer loopt, onbenaderbaar maar waardig.
Met een kind, huilend
aan mijn schouder, kijk ik rond
en vind de moeder –
maar draag nog, of ik het was,
al zijn tranen op mijn huid.
~ ~ ~
Vader overlijdt, meerdere bewoners al eerder, tijdens de tweede coronagolf op 14 mei 2022, in quarantaine in zijn kamer. Moederziel alleen. Zijn laatste dagen was hij vaak ongeduldig, onrustig, ook opstandig, maakte verschillende luide, zelfs rauwe basgeluiden, had soms intense huilbuien, zong nauwelijks meer, weigerde het avondeten, dronk wel eens iets na lang aandringen, had het over haar en haar en zichzelf, zelfs een enkele keer over ‘want ons drietjes’, met dan iets van een vale glimlach – en stierf in een dood-snik.
De verpleeghuisarts: ‘Cees miste zijn dagritme zoals de vogels voeren, zijn chansons beluisteren, zijn eigen tussenmomenten, zijn onverwachtheden, zijn droeve afwezend-heid. En, wat vond er ten diepste – ergens – in hem plaats, in het hém – in die Cees?
Vader – wat leefde er tot dat moment, zo lang al, achter je ogen die op eigen wijze rondgingen, naar ieder, zo ook naar ons keken, soms priemend, soms vertederend, vaak dof: als naar nergens. Wie leefden in jou, het jóuw, voort?
Je ligt opgebaard
of je lichaam zelfs nu nog
bij jou wil zijn.
Op het langwerpig prikbord boven zijn bed hangen allerlei briefjes, tekstjes, foto’s, foldertjes. We hebben ze een voor een voorzichtig losgemaakt, ze met een grote paperclip vastgezet en als een kleinood in de plastic zak met foto’s gedaan. En toen de kamer ontruimd.
Resonantie – Het hém
Erik Heijerman
In deze indrukwekkende en ontroerende vertelling worden we geconfronteerd met de laatste twee jaar van het leven van ‘vader’, die tijdens de tweede coronagolf in eenzaamheid in een verpleeghuis sterft. De vertelling is daarmee een eerbetoon aan allen die met dit vreselijke gevolg van de pandemie geconfronteerd werden. De vader uit de vertelling woont na een auto-ongeluk in een verpleeghuis, waar hij de ene week door de verteller, de andere week door diens zus wordt bezocht. Het auto-ongeluk had grote gevolgen: praten kan vader niet meer, op enkele losse woordjes na, hij heeft veelvuldig last van slapeloosheid en – het ergst van allemaal – een beschadigd werkelijkheidsbesef. Wat betekent dat in zijn geval? Het staat er zo feitelijk, maar er is iets raadselachtigs en on-herroepelijks gebeurd met deze mens waarover de verteller alleen maar iets vanuit het perspectief van een buitenstaander kan zeggen.
‘Die Welt ist alles was der Fall ist’, aldus de openingszin van Wittgensteins Tractatus, het is ‘die Gesamtheit der Tatsachen, nicht der Dinge‘. Het is het geheel van de feiten waar de verteller zich noodgedwongen toe moet beperken, feiten die hij zintuiglijk kan waarnemen. Hij luistert naar vader die nog altijd chansons kan zingen in een prachtig Frans, hij kijkt naar hem als hij elke dag een blanco vel volschrijft met ee-woorden, hij ziet hoe vader elke morgen na het signaal van de verpleegkundige (‘mussen’) onder een afdak naar de vogels gaat kijken en ze brood toewerpt, om vervolgens naar binnen te gaan, daar te gaan zitten en lang naar de grond te kijken. En dan nogmaals de chansons, waar vader naar luistert middels een ouderwetse pick-up die hij nog altijd weet te bedienen en daarbij dirigeert, meeneuriet, meebeweegt. Allemaal feiten; maar op diverse plaatsen in de vertelling komt het onzichtbare als hypothese aan het licht: vader lijkt iets te ontkennen, ergens bezwaar tegen te maken, wordt ergens ten diepste door geraakt, is aangedaan.
Aangedaan? Dat is binnenkant. Donkere geluiden maken en een hand op je hart leggen is buitenkant. In de geluiden en het gebaar toont zich echter iets van een innerlijke wereld.
Vader kan zich niet meer via de taal uiten om daarmee enig grensverkeer met wat er in hem omgaat tot stand te brengen. De term ‘grensverkeer’ ontleen ik aan Frederik van Eeden: ‘Als groote rijken zijn de menschen naast elkaar, aan de grenzen is druk verkeer, maar een klein weinig dieper-in houdt alles op, daar voert elk rijk zijn eigen afgesloten staat, daar zijn wegen en steden die geen ingeborene verlaat en geen vreemdeling betreedt’.
Wat voor ons ‘gewone’ mensen geldt, namelijk dat er slechts beperkt grensverkeer tussen onze geesten mogelijk is, geldt al helemaal of eigenlijk niet meer voor vader. Wij kunnen hem niet meer bereiken. Wat gaat er in hem om? Is het verdriet om zijn situatie in het verpleeghuis? Verdriet om bepaalde dingen uit zijn verleden? Verdriet omdat hij voelt dat zijn leven ten einde loopt? Verdriet vanwege zijn onmacht? We weten het allemaal niet, want we zijn door zijn toestand vreemdelingen geworden, die geen toegang meer hebben tot hem, tot het hém.
Maar hoewel we hem niet meer kunnen bereiken, zijn er toch dingen die erop wijzen dat zijn innerlijk (nog) niet leeg is, en zelfs een bepaalde focus heeft. De wereld is, in tegenstelling tot wat Wittgenstein beweert, rijker dan het geheel van de feiten alleen. Want er zijn feiten die duiden op een innerlijk, op váders innerlijk.
Daar zijn in de eerste plaats de Franse chansons, waar hij nog zo bij betrokken is, zingend of luisterend. Dat moet iets te maken hebben met de eerste liefde uit zijn leven, die met een chansonnière. Uit die liefde werd een dochter geboren, met wie vader vanaf haar achttiende echter geen contact meer heeft. Vermoedelijk moet dat hem zijn leven lang hebben achtervolgd, en veel verdriet hebben gedaan. En dat brengt ons op de zak met foto’s, die hij altijd over de tafel uitspreidt, telkens op een andere manier. Duidt dat erop dat hij beseft dat hij een levensgeschiedenis heeft, en die geschiedenis telkens weer visueel probeert te reconstrueren? Probeert hij zo zijn autobiografische geheugen te ordenen en een fysieke vorm te geven?
De persoon is volgens Locke ‘een intelligent ding, dat rede en reflectie heeft, en zichzelf kan beschouwen als zichzelf, hetzelfde denkende ding op verschillende tijden en plaatsen; en dat doet het enkel door dat bewustzijn dat onlosmakelijk verbonden is met denken, en, naar het mij lijkt, essentieel ervoor is’. Hetzelfde denkende ding op verschillende tijden en plaatsen: in hoeverre is dat nog van toepassing op de vader uit de vertelling? Hij kan het in ieder geval niet meer uiten, dat zelfbewustzijn, met al zijn herinneringen. Mogelijk is er nog de herinnering aan of het verlangen naar een zelfbewustzijn, een herinnering aan het besef een levensgeschiedenis te hebben. (Is zo’n herinnering mogelijk?) Als hij de foto’s geordend heeft, pakt hij de hand van zijn zoon of dochter en geleidt die door de foto-wereld – alsof hij zeggen wil: kijk, dit is mijn geschiedenis, dit was mijn leven.
Met de keuze van de drie beschreven foto’s is bovendien iets bijzonders aan de hand: eerst de karaf-met-glas-foto, vervolgens de foto met het droeve engeltje (‘voor jou’: van de chansonnière voor hem?), en ten slotte de foto van de chansonnière, zijn eerste liefde, hem gestuurd door zijn verdwenen dochter (met daar achterop: ‘ma mère’). Ze hebben met elkaar te maken, die foto’s: ‘la carafe, ta mère, la carafe, la mer’. De volledig-heid van zijn leven lijkt uit zicht te zijn geraakt, wat hem rest is slechts nog ‘haar en haar en zichzelf’. Dat ene feit, dat ene gegeven, waarvan de betekenis ver uitgaat boven de betekenis van alle andere feiten uit zijn leven. Zo lijkt het te zijn, maar we weten het niet zeker, het blijft een hypothese. Die twijfel wordt goed verwoord door de verpleeghuisarts: Wat vond er diep in hem, in het hém plaats? Wat leefde er nog achter zijn ogen? Wie leefden nog in het hém voort?
De briefjes, tekstjes, fotootjes, foldertjes worden door de zoon en de dochter na het eenzame overlijden van vader bij de foto’s in de plastic zak gedaan. Het zijn echo’s van het verleden van een hem, die inmiddels een tweede-orde betekenis hebben gekregen. De kinderen weten van de betekenis die ze voor vader moeten hebben gehad, en daarom hebben ze ook voor de kinderen emotionele waarde: het zijn dierbare kleinoden, getuigend van hém.
Geciteerd uit Monica Meijsing, Waar was ik toen ik er niet was? Nijmegen: Vantilt, 2018, pag. 142.
Vorige tanhaibun: Resonanties en nabeschouwingen I & II Volgende tanhaibun: Het landhuis
