Voor Marjo Schipperheijn, 1947-2015
Was jij hier geweest:
we konden dan hand in hand
op het strand langs zee
kraanvogels horen roepen,
langsgaand in de morgenzon.
Uit de bloemlezing Manyoshu, rond 759
Tijdens elk tochtje door het verkommerde Zuid-Spaanse binnenland kom je ze tegen: gehuchten waar niemand meer werkt, ieder de tijd steeds beter weet te doden, tja, dan alleen nog hoeft te sterven. Waar de jaren erna zich laten zien in roestende ploegen, verwrongen eggen, verwilderde akkers, lege schuren, afbladderende verf.
Er nestelt een scala aan vogels in scheefgezakte huizen. Veruit de meeste daken zijn dicht begroeid met vuistdikke klimop. De steegjes zijn vol met veelkleurig onkruid. En ergens dwaalt tussen dit alles een gitzwarte kat met haar speelse jongen, een en al levendigheid.
Je kunt hier uren doorbrengen, achter de halfopen deuren kijken, allerlei geschiedenissen lezen in wat er achterbleef; onder het stof en met spinrag. Ook zomaar weer weggaan. Je hoeft er niet meer terug te keren, draagt dit alles in je mee. Je bent daar dan geweest; voor eens en altijd. De veelzeggende tijden van weleer. Het gevoel bij dit ontheemde leven zet zich in je vast als een late, weeë najaarsgeur; als de daadwerkelijkheid van een leegte.
Nog steeds gaan hier de ganzenvluchten over, op hun grote trek; ze werden ooit nage-staard zover het kon; in berusting. Soms, op zomaar een moment komt dit weer onont-koombaar in me boven. Onlangs was ik opnieuw in zo’n gehucht – zonder een bijzondere reden noch vanuit een dringend gevoel. Ik ben er langer gebleven dan ik van plan was, op doorreis naar een stad. Naast vroegere ervaringen voegden zich er nog enkele indrukken bij. Ik onderging meer dan ooit hoezeer het om tijd en duur gaat, ruimte en ruimtebesef; om dat soort gedachten, dat overpeinzen, dat vaak droeve, soms zwaarmoedige gevoel.
De tijd tikt almaar voort, er is groei, bloei, het verglijden van seizoenen – zoals de herhaalmomenten in slimme cirkelredeneringen; en steeds – dat intense verlangen. Eronder schuilt de duur als een verwijzing naar iets van eeuwigheid; dat onvatbare, als idee, vooral ook als ervaring.
Ganzen op hun trek
maken geen gerucht, laten mij
weidse stilte na.
Maar, je maakt je er dan geen voorstelling meer van (na al je waarachtige maar vergeefse pogingen). Immers, het is er – in je. En ja, het blijft als onuitwisbaar in mij leven, raakt aan dierbare herinneringen, aan gebeurtenissen, dat gemis (jij en je opgetogenheid, je vertellen met gesloten ogen en gesticulerende handen, hoe je voor het raam kon staan en naar het vroege avondrood keek en iemand die langsging groette); het raakt aan wat tussen ons al die jaren onaf is gebleven, tevens vergeten wilde worden; aan flarden van een woordenwisseling, de ontreddering bij een afscheid; aan hoe ik om je geef, Marjo; nog steeds.
Ik merkte dat ook aan jou; we lieten dat onuitgesproken, wisten dit van elkaar. Ieder leefde een eigen leven; op een goeddeels eigen wijze. Ver weg van elkaar; maar dichtbij.
~ ~ ~
1984, zaterdag 16 juni, een zwaarbewolkte dag. Maar – onze ontmoeting! Jij en ik hielden sindsdien contact, konden lang telefoneren, schreven elkaar af en toe een brief (met blauwe inkt, spraken we af) om zomaar iets te vertellen of over iets uit te weiden, om (wisten jij en ik) elkaars handschrift te zien, te bewaren. En uit te zien naar een ontmoeting.
Je belde. Pancreascarcinoom met uitzaaiingen. Je zei niet te kiezen voor versterven maar voor euthanasie, bereidde je erop voor terwijl je lichaam zich van je vervreemdde – met uiterst moeilijke momenten, uren, nachten; die pijngolven, ontreddering. Desondanks goedmoedig, hoe verdrietig ook. Je wist, begreep ik, menigeen moed in te spreken, voor later. Je vroeg me of jij mij ongeacht het uur kon bellen. Natuurlijk, als vanouds.
Ik nam het vliegtuig om nog enige tijd bij elkaar te zijn. Onze gesprekken (we hoefden het niet over afscheid te hebben) waren en bleven als vanouds. En we bezochten de plek in het natuurpark waar je lichaam zou gaan rusten. Op de terugweg vroeg je mij:
‘Laat me je memento van ‘nu nog’ worden; dat blijven; wij, nog even samen. Wat ‘ons wij’ ook betekent.’ En je vroeg me om ooit nog eens iets over jou te schrijven: ‘Ik wil er ook in jouw handschrift blijven; in jouw woorden, in enkele zinnen, in een alinea over ons – jou en mij.’ Daar deed ik lang over, schreef en herschreef wat ik kon zeggen, liet het vele weg dat niet hoefde. Met toen de tanka:
Wij in deze wereld,
waarmee te vergelijken …
het frêle schuimspoor
achter – vroeg in de morgen –
een vissersboot die zee kiest.
Priester Sami Mansei, Boeddhist, ca. 720
Ik zou dit liever indertijd met je besproken hebben, wandelend langs zee en – van ver of dichtbij – in de morgenzon de kraanvogels horen roepen. Maar misschien toch beter van niet. Immers, het pijnlijk ware van de woorden is: wij, het frêle schuimspoor dat oplost.
Je verzwakte, kreeg een bed in de woonkamer met uitzicht over weilanden. Je keek naar grazende koeien en verder weg een bosrand. Je atelier voor beeldende kunst werd gelaten zoals die was. Je zoon en dochter beloofden die te zijner tijd uit te ruimen. Je schreef de vader van jullie kinderen een brief. Hij wendde zich indertijd ‘voorgoed’ van je af.
Je bent nu herinnering geworden, maar waren we dat al niet langer voor elkaar? Waren de keren dat we elkaar zagen niet de momenten die dat benadrukten? De uren dat wij elkaar over van alles vertelden maar het minder over ons samen hadden. We vonden het heerlijk om op de bank, dicht tegen elkaar aan, dezelfde novelle te lezen. Ik sloeg de bladzijden om. We hadden ongeveer hetzelfde leesritme. Soms dommelde jij of ik weg, de ander wachtte dan; of volgde het goede voorbeeld.
In al die jaren vormde ieder zich een beeld van de ander; en liet het zichzelf toe om daarmee te leven of te leren leven. We hebben die twee beelden los van elkaar gehouden als ging het jou en mij om ‘de ander’; en dat aldus aanvaard.
Beide beelden zijn in de achterliggende jaren ieders eigen jij-en-ik geworden. Jij gaf die van jou ook op het laatst niet aan mij door; dat hoefde ook niet; het gaat om wat niet gezegd hoeft te worden. Mijn eigen jij-en-ik draag ik omwille van jou ergens – zolang ik er nog ben – alleen voor mijzelf in mij mee, Marjo. Dierbare Marjo.
Deze kasteelpoort,
vergrendeld – wintermaanlicht
valt op de sloten.
Takarai Kikaku, 1661-1707
Resonantie – Van verlangen en gepastheid
Erik Heijerman
Deze zeer persoonlijk geformuleerde vertelling is opgedragen aan Marjo Schipperheijn, wier geboorte- en sterfdatum direct onder de titel te lezen zijn. Een dergelijke opdracht is bij geen van de andere vertellingen in deze bundel aanwezig, waardoor we hier met een uitzondering te maken hebben. Dat deze opdracht en haar naam boven de tekst staan, wil echter nog niet zeggen dat de vertelling ook over haar zal gaan: die kan een heel andere inhoud hebben, maar toch aan haar worden opgedragen, zoals dat bij boeken, artikelen of muziekstukken wel vaker het geval is.
De bijgeplaatste tanka doet echter anders vermoeden: ‘Was jij hier geweest …’ Door deze woorden uit de achtste eeuw te citeren richt de verteller zich duidelijk tot een persoon. En dat het om Marjo Schipperheijn gaat, wordt verderop in de vertelling duidelijk, want ergens halverwege spreekt de verteller haar persoonlijk toe: ‘Hoe ik om je geef, Marjo, nog steeds’, en het verhaal eindigt met ‘Marjo. Dierbare Marjo.’ Deze woorden, en de intieme formuleringen die verder in de vertelling worden gebruikt als het over haar gaat, doen vermoeden dat het over een levensechte vrouw gaat, met wie de verteller een liefdesrelatie heeft gehad en die hij nog steeds mist.
Voordat de verteller zijn herinneringen aan haar weergeeft, wordt ons eerst een sfeer geschetst waarbinnen die herinneringen zich situeren. Het is het toneel van het Zuid-Spaanse binnenland, met zijn verlaten gehuchten waar de jaren zich laten zien in het verval. De geschiedenis ligt er voor het oprapen, verborgen achter half geopende deuren van scheefgezakte huizen of op verwilderde akkers waar ploegen liggen te roesten. Het leven is er ontheemd, en het gevoel dat je erbij overhoudt is een besef van leegte: wat hier was, is voorbij en komt nooit meer terug. Dat roept weemoed op, melancholie, ja verdrietige zwaarmoedigheid. Voor de verteller draait het om de voorbijglijdende tijd in de ruimte van het bestaan.
Dat besef is impliciet ook aanwezig in de eerste tanka die in deze vertelling is opgenomen. De verteller zou graag met Marjo op het strand langs de zee hebben willen wandelen om samen het roepen van de kraanvogels te horen. Dat is een ervaring die iets te maken heeft met de alles overweldigende indruk van de weidse ruimte van de zee, het strand, en het hemelgewelf dat zich daarboven uitspant ―, een ervaring van ruimte die ook de tijdservaring beïnvloedt. De roep van kraanvogels heeft iets ontijdelijks, iets eeuwigs, als was er geen tijd vóór en ná het geluid van de vogels die langsgaan in de morgenzon.
Onder de tijd schuilt volgens de verteller de duur, een nadrukkelijke verwijzing naar de eeuwigheid. Deze durée is het door Henri Bergson (1859-1941) geïntroduceerde begrip van de subjectieve tijdservaring die fundamenteel verschilt van de ‘objectieve’ klokken-tijd. De subjectieve tijdservaring maakt het mogelijk een moment te ervaren als een eeuwigheid; wat het geval kan zijn als je op het strand de kraanvogels hoort roepen. Het is een ervaring van transcendentie, van iets wat ons tijdelijke bestaan te boven gaat en ons de nietigheid van ons leven doet beseffen.
Tegen de geschetste achtergrond van tegelijk verval, tijdelijkheid en eeuwigheid, plaatst de verteller zijn herinneringen aan Marjo Schipperheijn. Alles gaat voorbij, ook de liefde, maar het verlangen bleef en blijft. Het wortelt in gemis, in dierbare herinneringen, in voorstellingen van voorbije gebeurtenissen, in wat onaf bleef, in de ontreddering bij een afscheid. De wederzijdse verliefdheid – ontloken op een zwaarbewolkte dag in 1984 – was hevig, kreeg vorm maar geen voltooiing. Waarom dat zo was krijgen we niet te horen. Wel dat ieder een eigen leven leefde, ‘ver weg van elkaar; maar dichtbij’: telefoontjes, brieven, een enkele ontmoeting. Totdat Marjo kanker krijgt. Een laatste gesprek volgt, waarin zij de verteller vraagt ooit eens iets over haar te schrijven. Zij wil voortleven in zijn handschrift, waarmee hij enkele zinnen of een alinea over hen beiden schrijft.
Wat de verteller betreft, Marjo heeft hem zelf gevraagd of hij ooit nog eens wat over ‘jou en mij’ wilde schrijven. Dat is doorslaggevend. Hij deed het en kwam zo een belofte aan haar na. Daarbij: hij deed er lang over, schreef en herschreef, liet het vele weg dat niet hoefde, ging dus zeer zorgvuldig en met ‘verfijnde morele sensibiliteit’ te werk.
De tekst ervan is het handschrift van de verteller. Zijn woorden en zijn zinnen zorgen ervoor dat de gedachtenis aan Marjo levend blijft. Maar het zijn zijn woorden en zinnen, waarin zijn beeld van Marjo doorklinkt. Want ieder had zijn eigen beeld van de ander en leefde daarmee; de beelden werden met medeweten van beiden los van elkaar gehouden. Wat haar beeld van hem was, gaf zij op het laatst niet aan hem door. Het hoefde niet gezegd te worden, het sprak vanzelf.
Dit is een intieme vertelling, zo intiem dat er ethische vragen opdoemen. Mag de verteller dit verhaal wel publiek maken, is dat wel gepast ten opzichte van Marjo en de mensen om haar heen? En: willen wij dit wel lezen? Willen wij weten wat ons hier verteld wordt? Zo ja, wat is dan een passende reactie op de vertelling?
De term ‘gepastheid’ werd door Adam Smith (1723-1790) in zijn The Theory of Moral Sentiments geïntroduceerd als iets dat bij de morele waardigheid van een persoon hoort: het vermogen van mensen om als zij worden getroffen door gebeurtenissen of worden geraakt door handelingen van anderen zich zodanig te laten leiden door hun gevoelens dat deze leiden tot moreel juiste reacties op die gebeurtenissen of handelingen.
‘Gepastheid’ is een intersubjectief begrip, want een reactie is slechts gepast als anderen dat ook vinden en er een positief oordeel over uitspreken, zoveel mogelijk vanuit een onpartijdig standpunt. Het gaat om een invoelend oordeel van iemand die goed op de hoogte is van alle relevante informatie, de direct betrokkenen kent, een verfijnde morele gevoeligheid heeft verworven en aldus in staat is op een creatieve manier de gepaste reactie te bepalen.
En wij als lezers: wanneer ik mij een onpartijdige toeschouwer voorstel, lijkt het me, ondanks de huidige bekenteniscultuur, gepast om een grote mate van terughoudendheid te betrachten ten opzichte van de woorden van de verteller. Hij opende ons een deur met uitzicht op een grote liefde, die echter is als het frêle schuimspoor dat oplost achter een vissersboot die zee kiest. Uiteindelijk bevindt zijn eigen ‘jij–en-ik’ zich achter een vergrendelde kasteelpoort. Daarachter mag het blijven, samen met het onvergankelijke verlangen. Wintermaanlicht valt nu op de sloten. Ook dát lijkt mij gepast, wij weten genoeg.
Vorige tanhaibun: De huishoudhulp van toen Volgende tanhaibun: Deze wintermaan
