Mijn vader is pastoor. Mijn moeder was huishoudhulp in zijn pastorie met ook twee kapelaans. Het kwam ervan. Moeder ging voor een half jaar naar een klooster van de Zusters van Liefde. Daar werd ik geboren. Als onbedoeld vakantiekindje!
Uit het gindse bos
klinkt een koekoeksroep – dan een
van wat verder weg.
Moeder heeft nooit een andere man gewild; bleef van tijd tot tijd de pastoor, intussen overgeplaatst, nog wel zien. Zij werd actief in een stichting die bepleit dat een priester gehuwd mag zijn en kan kiezen voor wel of niet celibatair leven. Mijn vaderpastoor wilde daar echt niets van weten.
Kalm met de zon mee
schuiven heiligen in glas-in-lood
over kerkvloergraven;
de schemer neemt het over
voordat het duister invalt.
Hij wordt rector in een nonnenklooster. Ik zoek hem daar regelmatig op – als nichtje van hem! Wij kunnen het samen goed vinden. Ik voel me welkom in het klooster, zodanig dat ik er op de administratie ga werken. Moeder komt een enkele keer langs. Ik zie tussen hen dan meer en meer verwijdering ontstaan. Zij is een en al strijdbaarheid en vindt dat hij het aan haar verplicht is om met ‘de banier van de vrije keuze’ te zwaaien. Dat gaat natuurlijk niet goed. Zij komen in een ‘scheidingssituatie’ terecht. Dat wordt in het klooster opgemerkt. Het ware verhaal wordt meer en meer vermoed. En er wordt over gefluisterd. Sindsdien kijkt men anders naar mij.
En, ik heb intussen het nonnenklooster ‘van binnen’ door en door leren kennen – dat collectief mij negeren, die vileine glimlachjes en zijdelingse opmerkingen – dat ontoegankelijke, dat neerbuigende, dat ‘jij meisje, meisje toch’.
Geen blad beweegt meer –
de stilte in het zomerbos …
huiveringwekkend.
Taniguchi Buson, 1715-1783
Mijn vaderrector zit ermee. Hij zoekt rechtvaardigingen. Ik hak de knoop door; ga ‘Taalwetenschap’ doen. Iedereen tevreden: een nette afloop. Het ware Roomse denken en doen.
Intussen begint moeder allerlei kwaaltjes te krijgen en lijdt meer en meer aan zelfbeklag. Zij heeft het gevoel dat haar leven nergens voor bedoeld is en nergens toe geleid heeft: een onbedoeld kind, een rector die weinig tot geen ruggengraat toont noch heeft, geen andere man of minnaar en het Rome dat nergens, hooguit met holle frasen, op reageert.
Ik probeer aan te geven dat er ook nog iets tussen haar en mij is. ‘Natuurlijk, maar waartoe zijn wij op aarde?’ Ik opper: ‘Misschien om er ook voor de ander, zelfs voor elkaar te kunnen zijn; dat ook te willen zijn.’ Moeder: ‘Ja én?’ Zij raakt verbitterd; sterft daarin.
Mijn vader houdt enig contact met mij, maar afstandelijk; ontwijkt mij vaak. Hij is en blijft allereerst priester, dan de rector ― en biechtvader ― voor de nonnen. Hij zegt zich nog steeds diep te schamen voor wat hij mij heeft aangedaan: mij te verwekken bij ‘die huishoudhulp van toen’.
Het vleugelgeruis
vervult de wijde hemel
– o, ons stamelen.
Naito Meisetsu, 1847-1926
Het klinkt als iets van een ondoordachte daad, maar is het niet. En het beledigende erin probeer ik niet te horen, zelfs te ontkennen, zeker voor de buitenwacht. Want in feite, zegt hij, hoor ik nergens bij, bij niemand; en leef ik voor hem in een onbedoelde omgeving.
Toch wil ik niet in een sfeer van doelloosheid gaan leven. Jazeker, er soms zijn momenten dat ik me erbij neer dreig te leggen. Dan schiet er echter een siddering door me heen: onder geen voorwaarde, Martha! Maar wat dan te doen?
Resonantie – Een drieluik
Erik Heijerman
Deze vertelling kunnen we beschouwen als een drieluik, met op het linker paneel de huishoudhulp in de pastorie. We horen alleen maar uiterst summier ‘dat het ervan kwam’: de huishoudhulp wordt zwanger van de pastoor die haar voor een half jaar naar een klooster laat gaan om haar kind ter wereld te brengen; bij de, enigszins cynisch, Zusters van Liefde.
Moeder zit niet bij de pakken neer. Ze wordt actief in een stichting die pleit voor een vrije keuze van priesters voor het celibaat en voor hun recht om te mogen trouwen, een kwestie die nog altijd actueel is. Dat celibaat wordt tot op de dag van vandaag nog voor priesters gehandhaafd, en gaat onder andere terug op een opmerking van Paulus in 1 Korintiers 7: 8-9. Daarin zegt hij tot de weduwen en weduwnaars dat ze beter alleen kunnen blijven, net als hijzelf. ‘Maar wanneer ze dat niet kunnen opbrengen, moeten ze trouwen, want het is beter te trouwen dan te branden van begeerte.’
Het celibaat is als kerkelijke wet voor alle katholieke geestelijken pas ingesteld tijdens het Eerste Lateraanse Concilie (1123). Zo kon de priester zich volledig geven aan de kerkgemeenschap en zijn leven wijden aan God. Bovendien werd zo voorkomen dat wat de priester, bisschop, kardinaal en paus ontvingen aan giften, donaties en erflaten, ‘van de familie’ werd, in plaats van dat het de RK Kerk toeviel.
En zo belanden we op het middenpaneel bij de pastoor. Die is als priester gewijd, een heiligs iets, want het is een van de zeven sacramenten van de katholieke kerk. Wie dat sacrament ontvangen heeft, zal in aeternum priester zijn, en is daarmee gebonden aan een celibataire levenswijze.
Die heeft hij doorbroken, en daar zal hij zich een leven lang voor schamen. Maar hij heeft er ongetwijfeld over gebiecht, en aan zijn priesterschap ging een opleiding, vorming, leefwijze zoals Christus dat wil, van vijftien jaar vooraf, pas dan volgde de inwijding. Dat geef je dus niet zomaar op. Bovendien zit het priesterschap qua beleving diep. De priester handelt namelijk in persona Christi, dat wil zeggen dat Christus zélf door hem werkzaam is; ondanks zijn menselijke zwakheid een instrument van Christus. In dat besef is hij een principieel priester. Het is niet eenvoudig om dat af te leggen en te kiezen voor zijn huishoudster en haar kind.
Vandaar dat de vaderpastoor absoluut niets wil weten van het ideaal door moeder aangehangen: een vrije keuze voor het celibaat en het recht om te trouwen. Moeder wordt op dit punt steeds fanatieker, wil de barricade op, en is van mening dat vaderpastoor haar moet steunen in haar strijd. Maar dat doet hij niet, hij wordt heen en weer geschud in een dilemma van loyaliteiten: blijft hij trouw aan zijn priesterschap of aan de vrouw – die hij bezwangerd heeft – en haar kind?
Dat laatste kan en wil hij blijkbaar niet opbrengen, en daarmee wordt de afstand tussen hem en de moeder steeds groter. Zij komen zelfs in een soort van vechtscheidingssituatie terecht. Moeder wordt in feite door hem losgelaten, gaat zichzelf steeds meer beklagen en krijgt allerlei kwalen. Wat moet ze met een onbedoeld kind en een ruggengraatloze rector, terwijl ze geen andere man of minnaar heeft en bij de hoogste instanties in Rome bot vangt? Zij sluit zich in zichzelf op en sterft verbitterd.
De vaderrector zal dat als een tragisch feit hebben beschouwd, maar door zijn principiële opstelling zal hij er vermoedelijk toch geen schuld over voelen: hij schaamt zich weliswaar, maar is gewijd en had daarom ten opzichte van haar niet anders kunnen handelen.
Ten slotte de onbedoelde dochter op het rechterpaneel van het drieluik. Die wordt tot haar achttiende naar buiten toe gepresenteerd als het resultaat van een ongelukkige vakantieliefde, waarbij aanvullend verteld wordt – als was het een verontschuldiging! – dat haar moeder tegen abortus was.
Als vaderpastoor rector wordt in het nonnenklooster zorgt hij er uiteindelijk voor dat zij daar een administratieve functie kan vervullen. Na verloop van tijd beginnen de nonnen echter iets te vermoeden, wat resulteert in een collectief negeren van de dochter. Hoe moet ze daarop reageren? De vaderrector ‘zit ermee’, weet ook niet hoe het aan te pakken, neemt het misschien wel op voor de nonnen en verontschuldigt hun gedrag. De dochter neemt daarom zelf de beslissing en gaat tot ieders tevredenheid taalwetenschap in Nijmegen studeren. ‘Een nette afloop. Het ware Roomse denken en doen’: de kool en de geit sparen en een integere, principiële keuze ontlopen.
De nonnen hebben haar laten vallen en de rector ook; die beledigt haar diep door te zeggen dat hij zich schaamt voor het feit dat hij haar heeft verwekt. Dat hij zich schaamt voor dat feit betekent immers dat het niet de bedoeling is geweest dat zij er zou zijn, hij ontkent er haar bestaansgrond mee. Een passende reactie op zijn daad zou niet schaamte, maar bijvoorbeeld ontferming over zijn dochter (én haar moeder!) zijn geweest, want daarmee zou hij haar hebben erkend als dochter, terwijl schaamte in dit geval eigenlijk een teken van afwijzing is.
Daarom probeert zij het nog bij moeder, aan wie ze suggereert dat er toch ook ‘nog iets’ tussen hen beiden is. Ze is immers haar dochter! Moeder erkent dat, maar antwoordt: ‘waartoe zijn wij op aarde?’ Het antwoord kennen beiden natuurlijk: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn. Moeder ís echter niet gelukkig, en voor haar staat haar eigen ongeluk op de eerste plaats, daarom reageert zij ook afwijzend op de vraag van de dochter of het misschien de bedoeling zou kunnen zijn dat zij er voor elkaar zijn. Voor die bedoeling sluit moeder zich af, en begraaft zich onder haar eigen ergernissen en boosheid. Zo valt de dochter aan alle kanten tussen wal en schip. Eigenlijk hoort zij dus niet bij het drieluik, want ze hoort bij niemand, ze leeft in ‘een leeg gebleven ruimte’.
Toch wil ze haar eigen plek, fier naast haar vader en moeder en met een doel in het leven. Als ze het soms niet ziet zitten, begint ze te sidderen: ‘onder geen voorwaarde, Martha’. Daarmee toont ze moed, de moed om door te gaan en haar eigen weg te zoeken. Tekenend hiervoor is dat in de vertelling nu pas voor het eerst haar naam valt, helder en duidelijk, door haarzelf uitgesproken. ‘Hoe verder’ is voor haar een open vraag. Maar ze heeft haar gezicht gevonden en is de enige op het drieluik die wij ons met een naam zullen herinneren.
Vorige tanhaibun: Een ruwhouten kruis Volgende tanhaibun: Als een verwijzing
