Alsnog

Zijn ouders beginnen – Enrique is dan bijna twaalf jaar – een gezinsopvanghuis in Zuid-Sevilla. Zijn vader was groepsleider, daarna teamleider in een kinderhuis, een handyman met gouden handen; de kalmte en rust zelve. Zijn moeder bekwaamde zich tot psychiatrisch verpleegkundige, werkte jarenlang in een kliniek, is administratief en financieel een absoluut talent. Samen hebben ze alles in huis voor de opzet en organisatie van een ‘Centro Juvenil Palomar’, ‘Jeugdhonk De Duiventil’; vooral voor begeleiding van jongeren tussen tien en achttien jaar, de opvang – een tussenstation – in de roerige levens van (vroege) pubers en jonge adolescenten. Hun eigen relatie is stabiel, ongedwongen en heel warm.

Kunstwerk in een park

Foto: Simon Buschman

Natuurlijk, het is niet niks voor Enrique om in zo’n omgeving groot te worden maar zijn ouders zijn er steeds voor hem. Enrique en ik zijn dikke vrienden. We hebben vaak het gevoel dat wij gewoon bij de groep, vijf à zes jongeren, horen. We nemen deel aan verschillende gesprekken; en krijgen, als het nodig is, er ook flink van langs, zowel van de bewoners als van zijn ouders; krijgen ook wel eens strafcorvee.

De mierenhoop gonst
van al dat er daar beweegt:
één groots gebeuren
waar merels, van tijd tot tijd,
zich tegoed aan komen doen.

Mijn ouders hebben intussen geen kind aan me. Mijn vader zegt wel eens: ‘Diego, het gebeurt elders; jij hebt hier thuis je woonplek en een eigen slaapplek; en dáár is je grootgroeiplek.’ Het contact tussen de ouders van Enrique en die van mij is prettig; enigszins beleefd. We zijn ieder enig kind maar voelen ons een tweeling van vier ouders. Enrique doet het goed bij de meisjes.

In De Duiventil houdt zijn vader dat nauwlettend in de gaten; spreekt hem er ook op aan. Ik ben van nature erg verlegen; vind meisjes ook zo anders, zo drukdoenerig, dikwijls zo giebelig.

In het zomerriet ―
als bij toeval hoor ik ze,
piepdunne trillers,
overstemd door het ruisen
van wat om iets anders vraagt.

Op school ken ik Juliano met wie ik het prima kan vinden. Wij slaan wel eens spontaan de armen om elkaars schouders, ruilen in de winter onze sjaal uit, kunnen ergens achterop het schoolplein over van alles en nog wat zitten praten, lossen huiswerkproblemen op, hebben het over ‘het rare leven’, de genocides, voedselverwording, overige ingewikkeldheden, dikwijls te groot voor ons. En over wat we willen met dé, deze wereld.

Enrique is geen studiebol, is wel ijverig in zijn huiswerk maken. Juliano en ik genieten van school. Meer en meer heeft dit invloed op het contact tussen Enrique en mij; maar: geen verwijdering.

Want hij kan ’t hebben. Hij heeft het al druk genoeg met ‘al die vrouwen’. En ik zijdelings met Juliano:

Al weet ik zeker
dat hij niet meer zal komen,
het kan gebeuren
als krekels schril gaan sjirpen,
dat ik aan mijn deur sta; wacht.

Anoniem, 300-1000 AD

Licht van de ondergaande zon over een meer

Foto: Simon Buschman

Volstrekt tot mijn verrassing begint Enrique’s vader, als wij een wandeling maken, over Juliano. Ik raak er door in de war, want waar we het over hebben ís gewoon zo. Enrique en ik zijn vrienden, tussen Juliano en mij gebeurt van alles maar meer. Ik kan naar hem zitten kijken en ontzettend schrikken, als hij zomaar of heel bewust mijn kant uitkijkt. Dat schaamrood … Een week later hebben Juliano, Enrique’s vader en ik een gesprek; en barsten Juliano en ik in tranen uit. Het is immers écht zo tussen ons.

De dag komt dat we
over de uitgestrektheid
van korenvelden
de wind zien gaan en weten:
zó valt ons leven samen.

Juliano en ik wonen nu al jaren samen, gaan ooit nog eens trouwen; met van mijn kant Enrique als mijn getuige. Die werkt intussen in het gezinsopvanghuis, samen met zijn moeder; heeft regelmatig een vriendin, niet al te lang: ‘Ik hou niet van handenbindertjes.’ Dan kén ik hem even niet, echt niet.

Zijn vader heeft elders een werkplaats gehuurd, restaureert daar antiek, zijn passie. Hoewel het weinig opbrengt, hij heeft er kijk op, gevoel voor; en eveneens de goede handen. En voelt zich er thuis bij zichzelf.

 
 

Vorige vertelling: Voortgaande wolken          volgende vertelling: Het steentje