Het gezin López leeft vooral van de kudde geiten; en van een groentetuin en een paar fruitbomen. Een deel van de opbrengst is voor de zaterdagmarkt. Hun enig kind Antonio is vanaf zijn geboorte doof. De ouders aanvaarden het maar bidden elke morgen en avond voor het godswonder. En steken ‘s zondags in de veldkapel een kaarsje er voor op.
Van jongs af aan gaat Antonio met zijn moeder eind van de middag zijn vader met de kudde tegemoet. Zij zingt ook dan met heel haar lichaam allerlei overerfde liederen van deze streek en de kleine maar hechte woongemeenschap. ‘Zingen zit in mijn bloed; kon Antonio dat maar horen.’ Toch, hij ziet veel, want beweegt met zijn moeder mee in haar gracieuze cadans; met ritmegevoel.
Een zacht koel briesje,
heen en weer, hoog dan laag,
komt telkens weer langs.
Kobayashi Issa, 1763-1827
Op een afgesproken dag loopt hij zijn vader tegemoet, werd zo hun geitenhoeder. Voor dag en dauw trekt hij met de ruim veertig geiten de heuvels in en komt bij schemer terug. Zijn ouders maken zich nooit zorgen, ook niet als het weer omslaat. Antonio weet met de kudde om te gaan. Hij is bij thuiskomst altijd opgewekt en geeft met allerlei gebaren aan wat hij zou willen vertellen. Zijn ouders denken het te begrijpen en antwoorden in korte zinnen met gebaren en veel goedbedoelde ja’s en vaak nee’s. Het is zo hun gezinsritueel.
De geitenkaas is van een opmerkelijke kwaliteit. Zijn vader wist hem namelijk duidelijk te maken hoe de kudde de heuvels dient te begrazen, afhankelijk van het weer en de soms grote wisselingen erin zoals hittedagen of de felle regenuren en stormen; en om welke grassen, kruiden, struiken, bessen, heidevelden het gaat.
Even bewegen
in de vroegste morgenbries
de rupsenharen
Taniguchi Buson, 1715-1785
Antonio geleidt de geiten er samen met zijn honden naartoe, maakt een keuze uit het netwerk van de beste graasroutes die hij op den duur op zijn duimpje kent; en geniet ervan dat de geiten zo gretig grazen. Elke geit kent hij bij naam en geeft deze een bepaald geluid. Ook de honden reageren op de klankuitingen. Hoe hoger hoe dringender, waarna de verschillende instructieklanken; met de laagste toon: ga maar liggen maar blijf op je qui-vive.
Zijn vader tekende die graasroutes ooit met een takje in het zand voor hem uit. Diens grootvader was in dit gebied komen wonen. Hij en het gezin moesten verhuizen omdat hun vorig graasgebied voor een habbekrats werd opgekocht door de StedenWegenBouw.
Van tijd tot tijd ziet Antonio Ricardo, ook geitenhoeder. Ricardo kan gewoon praten, maar doet dat hoogstzelden. Hij kiest een plek van waaraf hij de kudde lange tijd kan zien en zit daar dan en kijkt wat in het rond. Zo zit hij ook bij Antonio als zij elkaar met hun kuddes tegenkomen. Hun honden verdragen elkaar opperbest, houden de kuddes met gemak uit elkaar. Bij pauzes liggen ze bijeen, wel ieder de kop op de eigen kudde of herder gericht.
Een keer per maand gaat Antonio op aanbeveling van de pastoor naar het dichtstbijzijnde dorp. Daar woont een man die alle tijd voor hem neemt, aandachtig naar hem kijkt en zijn gebaren ‘beluistert’, zijn vragen met lichaamstaal beantwoordt. Ter verduidelijking zetten ze vaak tekens of tekeningen op papier. Hij onderwees Antonio in klankzingen, te beginnen met de basisklanken, grondtonen. Antonio heeft een prima geheugen voor reeksen van aaneengesloten en fraai divergerende klanken; met daarbij een erg goed ritmegevoel.
~ ~ ~
Cataleya, de jongere zus van Ricardo, is tijdens weekenden medeherder. Van tijd tot tijd komen hun kudde en die van Antonio in elkaars buurt. Zij zoekt hem dan op, loopt met hem mee op en gaat het liefste bij hem zitten. Dan kijken zij samen uit over de heuvels, zien de glinsteringen in de beek of daarna een zwevende roofvogel; ook liggend op hun rug de wolken en hun windrichting; tussentijds wel met alle aandacht voor de kudde; ze glimlachen bij kleine opstootjes, altijd weer diezelfde bokken. Zij drinken elkaars bronwater en nemen een appel of mandarijn. Intussen klankzingt Antonio, neuriet zij wat mee.
Dan – voor het eerst in haar leven – zoekt zij wat meer toenadering, Antonio lijkt daar weinig gevoelig voor of doet alsof. Wel zingt hij, nogal eens met zichtbaar enthousiasme, improvisaties, knikt haar toe, zij het wat verlegen; en begeleidt zich met zijn rechterhand. Cataleya beweegt op zulke momenten soepel mee met zijn klankzang; danst soms zoals zij bij kringavonden in de woongemeenschap gezien en geleerd heeft, ok van Antonio’s moeder; en er uitvoerig over verteld kreeg. De overdracht in orale tradities. Zij tracht met handgebaren zich ‘verstaanbaar’ te maken. Antonio knikt dan in tekens.
Heel het beestje trilt –
dit jaar zit-ie voor het eerst
boven in een den
een lieve lust te zingen,
zingt zich bijna uit balans.
Op een dag laat hij zijn ouders een ruwhouten kruis zien, met op de dwarsligger: Antonio 1996 – . Na het dwarsstreepje houdt het op. Zijn ouders begrijpen er niets van, vragen het aan de man uit het dichtstbijzijnde dorp. Die neemt het op zijn wijze met Antonio op; krijgt geen directe reactie, zegt hij: ‘Antonio glimlacht, maakt enkel kalme en geruststellende gebaren. Die komen als welgemeend over.’ Althans, dat meent de man. Maar toch.
Wanneer Antonio 24 jaar wordt, viert men met de gemeenschap uitbundig ‘de dag van de volwassenwording’. De pastoor zegent hem uitgebreid met wijwater en geeft hem een dennentakje om zelf zijn ouders en ieder die er is, met devotie te zegenen. Daarna is het meeste weer als vanouds.
Enkele weken later komt Antonio op een avond – bij kalm en helder weer – niet thuis met de kudde. Zijn vader gaat na enige tijd op zoek, ziet welke graasroute langs welke heu-vels hij genomen heeft, vindt de kudde, niet hém. Wel staat er het ruwhouten kruis: Antonio 1996 ― 2020. Lange tijd staat hij daar en kijkt, kijkt en kijkt alleen maar.
Nergens om, zomaar,
maakt het mij bedroefd
wanneer voor het eerst
de najaarswinden ritselen
door de halmen van de rijst.
Taigu Ryokan, Zenmeester, 1759-1831
Tot op de dag van vandaag is onduidelijk hoe Antonio hier zijn graf gevonden heeft. Zijn lichaam wordt voor onderzoek opgegraven; erna opnieuw op dezelfde plek begraven. Niets wijst op geweld, doodslag of anderszins. Ook Ricardo en zijn zus staan voor een raadsel. Een mysterie. Het wordt een mythe, een volksverhaal dat doorverteld wordt.
Cataleya wordt de geitenhoeder van de kudde met nu vijftig geiten, de honden reageren goed op haar. Zij trouwde eerder al met de man uit het dichtstbijzijnde dorp. Zij nemen ook de keuterboerderij van Antonio’s ouders over.
Voorbij, de dagen
dat nachtegalenstemmen
van ver weerklonken.
Taniguchi Buson, 1716-1784
Resonantie – Het omen
Erik Heijerman
Wat een wonderlijke vertelling, dit verhaal over de doof geboren Antonio! Als klein jongetje mocht hij met zijn moeder mee om vader, die terug kwam met de kudde, tegemoet te gaan. Al hoort hij haar niet, toch beweegt hij ritmisch mee met zijn zingende moeder, die haar stem leent aan het in stand houden van een cultuur van traditionele volksliederen.
Al spoedig neemt deze jongen de kudde van zijn vader over. Ondanks zijn doofheid benoemt hij elke afzonderlijke geit met geluiden. Hij kent de graasroutes met de kruiden en struiken die zorgen voor een geitenkaas van opmerkelijke kwaliteit. Mensen ontmoet hij niet veel. Soms Ricardo, een zwijgzame collega-geitenhoeder, met wie hij samen naar de kuddes zit te kijken. En dan is er ‘de man uit het dichtstbijzijnde dorp’, die de tijd voor Antonio neemt, naar zijn gebaren ‘luistert’ en Antonio leert klankzingen. Met deze man kan hij communiceren, met gebaren, en via tekens en tekeningen op papier.
Af en toe wordt Antonio bezocht door de zus van Ricardo, Cataleya, met wie hij een ontspannen verstandhouding heeft. Soms zingt hij voor haar, en dan danst zij haar Spaanse dansen op het ritme van zijn klanken sierlijk mee. Zij lijkt een oogje op hem te hebben, maar hij lijkt daar weinig gevoelig voor. Voelt ze zich afgewezen?
En dan komt Antonio op een dag aan met een ruwhouten kruis met daarop zijn geboortejaar en zijn naam. Het sterfjaar ontbreekt nog. Voor zijn ouders een raadsel; maar ook voor ‘de man uit het dichtstbijzijnde dorp’, die hierover met Antonio contact opneemt. Antonio glimlacht slechts en stelt de man met gebaren gerust. Als hij de leeftijd van 24 jaar heeft bereikt wordt hij door de pastoor gezegend en zegent hij ook zelf zijn ouders en ieder die er is; aan zijn jeugd is een einde gekomen.
Had hij net als de Griekse goden eeuwig jong en onsterfelijk willen blijven? Enkele weken later blijkt het ruwhouten kruis een omen te zijn geweest: Antonio komt niet thuis, zijn vader vindt het kruis met daarop nu ook Antonio’s sterfjaar. Het is voor iedereen een mysterie, ook voor Ricardo en zijn zus. Als hij wordt opgegraven blijken er geen sporen van geweld te zijn. Zelfmoord lijkt ook uitgesloten, want hij kan zichzelf niet hebben begraven. Toch lijkt zijn dood gewild of voorzien. Waarom zou hij anders met dat kruis op de proppen zijn gekomen? Wilde hij niet langer als dove door het leven gaan? Maar hij vertoonde geen tekenen van depressie of levensangst!
Of had Cataleya soms iets met de dood van Antonio te maken? Waarom was zij al getrouwd met de man uit het dichtstbijzijnde dorp? Zij heeft Antonio’s plek ingenomen, ook door de keuterboerderij van zijn ouders over te nemen. Vele verhalen doen de ronde, maar het mysterie blijft een mysterie, de gebeurtenissen groeien uit tot een wonder, een mythe die als volksverhaal zal worden doorgegeven.
En dat is wel iets bijzonders, want de literatuur kent vele verhalen over blinden maar nauwelijks over doven en doofstommen. De literaire verhalen over blinden, in tegenstelling tot die over doofstommen, zijn vaak positief. Doofstomme mensen werden echter vaak als lelijk, inhumaan, irrationeel en verdorven afgeschilderd; van wie doof geboren werd, werd meestal ook gedacht dat hij stom was en per definitie niet kon spreken. Dat was een feitelijke onjuistheid: niemand wordt zonder stem geboren. Alleen werd de taal vaak niet geleerd, omdat de dove kinderen de volwassenen niet konden horen spreken. Dat geldt ook voor Antonio; maar al kon hij de taal niet spreken, hij was niet sociaal geïsoleerd en had in de man van het dichtstbijzijnde dorp zijn maatje.
Ondertussen bepaalt deze vertelling ons ook bij het doof zijn en dus bij het gehoor, een van de vijf zintuigen waarmee wij in contact staan met de werkelijkheid. Hoe verbazingwekkend en verwonderlijk is het niet dat wij die zintuigen hebben! Vier ervan bevinden zich zichtbaar aan ons hoofd, en hoe langer je ernaar kijkt en erbij stilstaat, hoe wonderlijker ze worden. Alleen de tastzin bevindt zich niet in of aan ons hoofd, want het is het orgaan van de huid waarmee we kunnen voelen.
Elk van de zintuigen heeft een eigen toegang tot de werkelijkheid, en als kind vraag je je wel eens af wat erger is: blind zijn, of doof. De meesten kiezen dan voor blind zijn. Dat is erger dan doof zijn, want als je doof bent kun je misschien niet horen wat er op straat gebeurt, maar je kunt er in ieder geval heen gaan om te kijken wat er aan de hand is.
Maar wat zijn de geluiden die we horen? We kunnen ze niet zien, niet proeven, niet ruiken en niet voelen. Geluiden lijken geen deel uit te maken van de bekende wereld van fysieke objecten. Als ik een snaar op mijn klavecimbel laat klinken, verlaat het geluid dat de snaar voortbrengt het instrument, duikt de ruimte in, spreidt zich uit, passeert mijn oren en breidt zich verder uit. Geluiden lijken los van de objecten te bestaan, de toon zingt zich letterlijk los van mijn instrument en leidt daarna een onafhankelijk bestaan. Geluiden zijn kleurloos, smaken en ruiken nergens naar, je kunt ze niet vastpakken. Ze lijken geen substantie te hebben, geen permanentie, en ze doven op den duur altijd uit.
‘Als er zoiets als natuurlijke symbolen bestaan, dan zijn geluiden zeker het natuurlijke symbool van vergankelijkheid en verlies van de voorbijgaande tijd. Het zijn essentieel vluchtige fenomenen, een exact correlaat van weemoed en aangrijpende spijt, om over sentimentaliteit nog maar niet te spreken.’1
Als je alleen maar je gehoor als zintuig had, zou je geen idee van het bestaan van een onafhankelijk van ons bestaande werkelijkheid hebben. Je zou immers niet kunnen uitmaken of de geluiden zich alleen maar in jou afspelen of dat ze afkomstig zijn uit een externe wereld. Er zou geen wereld zijn; het enige wat je hebt is een bundel geluidservaringen.
Bij Antonio was echter precies het omgekeerde het geval: al zijn zintuigen deden het, behalve zijn gehoor. Hij kon daarom goed functioneren als geitenhoeder. Waarom hij, juist toen hij als volwassen beschouwd werd, voor de dood koos zullen we nooit weten. Maar het verhaal van deze dove jonge man wordt doorverteld als een van de mysteries die zich in het dorp waar hij woonde afspeelden. Het enige dat ons rest is een ruwhouten kruis met daarop zijn naam, geboorte- en sterfdatum, daar door hemzelf op aangebracht.
1 Citaat uit Jonathan Rée, I See a Voice, New York 1999, 23-4. Mijn beschouwingen zijn op het eerste hoofdstuk van dit magnifieke boek gebaseerd.
Vorige tanhaibun: Langszij elkaar Volgende tanhaibun: De huishoudhulp van toen
