De roerdomp – een sprookje

Simon Buschman

vrij van rietmoeras,
van bij gevaar loodrecht staan
dompt hij het roer om*

in die nieuwe levensstijl
past zijn spiegelbeeld zich aan

de gindse verte
gaat over in een oever
met oude wilgen

er grazen koeien, boeren
bewerken landerijen

daarachter een stad
met hoogbouw, kerken, parken,
twee minaretten

al die mensen, druk verkeer,
terrasjes, ambulances

met twijfels, angsten,
heimwee naar het rietmoeras,
kiest hij een vijver

de ontstijging aan zichzelf:
voorgoed vreemdeling te zijn

Dialogen - Simon Buschman

De roerdomp - een sprookje door Simon Buschman

Foto: Duong Quoc Dinh, Vietnam, 2016

* het roer omdompen = een nieuwe weg kiezen Toelichting: pater Nathan Franxken, in het internaat docent Latijn en Grieks (zie pagina 38), was een Vlaming. Deed je in je studie niet je best, dan zei hij: ‘Zo kom je in hét fabriek’.

Priester worden was voor hem: de durf hebben ‘om het roer om te dompen, om de wereld te verzaken’. Ik dacht ook even aan onderdompelen of dopen; begreep er toen nog minder van. Ik vroeg het hem daarom heel omzichtig; hij legde het mij omstandig en begeesterd uit. Dát roer heb ik echter nooit ‘omgedompt’.

~ ~ ~

De roerdomp heeft het rietmoeras als leefgebied, durft het open water zelden aan. Het is een schuwe vogel die bij gevaar of dreiging ‘in de paalstand gaat’, loodrecht, om tussen het riet ongezien te blijven.

Binnen de hoge en lage vogelgeluiden is de roerdompman de bas die klinkt als de grondtoon van de contrabas in een orkest. Zijn melancholieke, sonore klank is hoempù-hoempù (geen hoempa-hoempa).

De meeste roerdompmannen zijn polygaam; slechts een enkeling is monogaam – deze neemt dan deel aan de broedzorg.

“De Heere sprak tot Mozes en Aäron, zeggende: van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden: de arend, de havik, de zeearend, de gier, de kraai, de raaf, de struis, de nachtuil, de koekoek, de sperwer, de steenuil, het duikertje, de schuifuit, de kauw, de roerdomp, de pelikaan, de ooievaar, de reiger, de hop en de vledermuis.”

Statenbijbel 1905, OT, Leviticus 11: 13-19

 

Vorige monorenga: Achter prikkeldraad – Simon Buschman          Volgende reflectie: Geen waartoe, door Anke de Lange