Mijn broer Bart, twee jaar ouder, en ik verbazen ons er nog steeds over hoe weinig wij elkaar – op de afgelopen tien jaar na – kennen. Hij is een moederskind, ik een vaderskind; tussen mijn ouders is er op den duur bitter weinig van een relatie overgebleven. Zij hebben een eigen wereld, wel gezamenlijke plichtplegingen waaraan zij voldoen. Hij wandelt bijna iedere dag een uur, zij doet zoveel mogelijk op de fiets of met de auto. Zij hebben ieder een werk- annex slaapkamer, omdat zij op eigen tijden naar bed gaan, vader ruim na middernacht, moeder op wisselende tijden. ’s Morgens ontbijten ze samen, meestal in alle stilte; ieder met een eigen krant; hij koffie, zij thee. En zij hebben wel twee kinderen!
Ruzie hebben ze zelden, eigenlijk nooit. Dat is misschien het erge, ze ontwijken elkaar soepeltjes, zweren bij de lieve vrede; vooral vader, projectleider bij de Rijksmonumentendienst. Moeder valt weleens uit haar rol waarin zij zich onwennig voelt en gaat dan een dagje naar een vriendin. Die is wel wat zedenprekerig, maar alla, het helpt doorgaans wat.
Naar buiten toe maken onze ouders de indruk het samen steeds eens te zijn, waarbij vader meestal het voortouw neemt, vooral bij familiaire tegenwind of onenigheden en in ons puberale dwarsliggen. Moeder volgt hem op de voet (loopt ook altijd achter hem, is groter). Dat is zelden van harte; voor de buitenwacht bedoeld als een: ‘Zie óns eens!’ Het past in dit plaatje dat wij ons vooral lief en netjes gedragen. De gewone ruzietjes worden weggepoetst met een keuze voor de een of de ander, zelden het sámen iets oppakken of sámen straf krijgen. Tot in het extreme: Bart hoort bij moeder, ik pas bij vader!
twee brandnetels,
in alles aan elkaar gelijk
– zonder besef ervan
~ ~ ~
Vader is een gedistingeerd man. Zo gedraagt hij zich, in alles; keurig in het pak en met weldoordachte manieren. Hij is dag en nacht met zijn werk bezig, kent alle projecten tot in detail (miljoenenverbouwingen) en vertelt er ieder over; meer en meer ook mij. Hij vraagt mij menig keer zijn verhaal zo goed mogelijk na te vertellen; ik krijg er dan een cijfer voor, zoals op een schoolrapport; ga wel steeds over. Hiernaast is zijn passie geologie, in het bijzonder die van edelgesteenten, hun zelfs miljarden jaren ontstaansgeschiedenis en specifieke gebeurtenissen, zoals het zichtbaar bezonken leven erin.
Moeder – zij heeft een winkeltje met snuisterijen – is meer de gedienstige; tot dát moment. Tien jaar geleden is zij namelijk volstrekt onvoorzien naar Curaçao verhuisd. Wij gaan er, samen met vader, tweemaal per jaar een week naar toe. Maar tot een echt gesprek komt het ook daar niet. Intussen is Bart (tweemaal gescheiden) fitnesstrainer én een stevige vent geworden, via AA vrij van de drank. Geweldig. En wij komen, eindelijk, meer en meer met elkaar in gesprek, hoe vreemd dat mag klinken na van jongsaf aan broer & zus te zijn.
~ ~ ~
Toen vader heel spoedig dementeerde (de geriater: ‘Bijna overhaast.’) sprak hij amper meer, zonk weg in een moeizaam maar dapper versterven, nu twee jaar geleden. Moeder kreeg een jaar vóór zijn dood alvleesklierkanker, overleed dankzij een stille euthanasie.
Bij het leegruimen van het ouderlijk huis merkte ik in vaders bibliotheek dat in menig boek een kopiebrief aan moeder stak. Ik las en herlas ze. En toen die brief met de alinea:
… Toen de kinderen nog klein waren, kreeg ieder van ons het vermoeden dat er van een buitenhuwelijks contact sprake zou kunnen zijn. Het hield jou en mij bezig, zonder dat jij dat van mij, ik dat van jou wist! Noch jij noch ik kon, nee: wilde het bespreekbaar maken.
Dat werd meer en meer onze tragiek. Ieder van ons kreeg (buiten weten van de ander om) dat persoonlijk vermoeden in dezelfde periode: toen Marcella naar de Lagere School ging en Bart naar een psychologe: gedragsonrust. Ieders persoonlijk vermoeden, hoe lang al onder-huids, settelde zich: bij mij in Parijs in een vierdaagse conferentie, bij jou tijdens een schilder-week in Texel. Ieders persoonlijk vermoeden werd niet gedeeld; zowel jij als ik hielden het voor de ander stil. En we leefden verder in de sfeer van ‘doen alsof’.
Pas een jaar voordat jij naar Curaçao ging, hebben wij dit uitgesproken en bleek dat niet zo te zijn; tot onze verbijstering. Die niet daadwerkelijke situatie zal ons indertijd ver uit elkaar hebben gedreven; óf – deze bizarre situatie bewerkstelligde wat wij al doormaakten: verder weg van elkaar en tóch samenblijven. Dat doen wij nog: jij straks ginds, ik in dit grote huis; want voor altijd in onze huwelijksakte. Ondanks alles … tot de dood. …
En tot onze ontzetting: noch vader noch moeder heeft Bart en mij hier ooit iets over verteld. Daarom gingen wij samen in therapie en aansluitend in groepstherapie; en begrepen wij op den duur in wat voor een sfeer van kinderkrenkingen wij groot geworden waren; waarom Bart tot tweemaal toe in een scheiding terecht kwam en pas nu opveert (hij heeft sinds kort een lieve vriendin).
Steeds benadrukte vader dat alleen blijven boven alles te verkiezen valt: ‘Het is beter om je in jezelf te verdiepen en bij het ouder worden op te gaan in vergetelheid.’ Hij heeft dit levensdevies nooit toegelicht, wel steeds op onvoorziene momenten herhaald. Alsof er zoveel droefheid in school; of hij zijn leven niet aandurfde. Of gewoon zo was.
Er mengt zich een stem
in de klanken van mijn luit.
Waar komt die vandaan,
de vreemde, geheime toon?
Is het de echo uit mijn borst?
Yosano Akiko, 1878-1942
~ ~ ~
Intussen zie ik uit naar mijn pensioen; wil dan een wereldreis maken; erna in psychoanalyse. Maar eerst nog een paar jaar Hoofd Juridische Zaken in een farmabedrijf met als persoonlijke opdracht de sectie – o ironie – geheimhoudingscontracten. Ik zal na die jaren nog meer tijd nemen voor mijn passie: edelgesteenten met daarin zichtbaar bezonken leven zoals de meest uiteenlopende soorten zeewieren, oeroude grassen, uitgestorven beestjes met hun ‘verdwijnmoment’.
Toen bij vader dementie werd vastgesteld, deed hij zijn unieke verzameling aan mij over; verzuchtend: ‘De edelen, mijn maatjes in tijden van het alleen-zijn; hun stilzwijgendheid. Zij leerden mij hoe mooi het is om op te gaan in vergetelheid. Streef dat na, erfdochter.’
Hoe ik ook trachtte met hem in contact te komen, hij keek mij dan aan en ging gewoon op iets anders over dat weinig tot niets met ons van doen had. Zo is mijn vader mij bijgebleven; zo mis ik hem; in zoveel meer dan vroeger.
Klokgelui van ver.
Vader, ik mis je nu meer
dan toen aan je graf;
zonlicht op je marmersteen,
je naam en beide data.
Resonantie – Van tijd en vergetelheid
Erik Heijerman
De vader uit de vertelling heeft een interessant levensmotto: ‘Het is beter om je in jezelf te verdiepen en bij het ouder worden op te gaan in vergetelheid.’ Die vergetelheid had hij door zijn edelstenen als iets moois leren zien. In perioden van alleen-zijn waren die stenen zijn maatjes, en zij waren dat in hun grootse stilzwijgendheid. Daarnaast had hij niemand nodig, de stenen waren hem genoeg. De min of meer geaccepteerde betekenis van ‘opgaan in vergetelheid’ is: vergeten worden, niet meer herinnerd worden, of iets breder: van ‘zijn’ overgaan in ‘er niet meer zijn’.
Waarom is dat levensmotto van de vader eigenlijk een interessant thema? Ik denk omdat vergetelheid iets is wat we eigenlijk niet tot op de bodem kunnen bevatten en begrijpen. En dat komt weer omdat het nadenken over vergetelheid vanuit twee perspectieven kan plaatsvinden, en die perspectieven niet goed te verenigen zijn. Ik noem die perspectieven het subjectieve en het objectieve perspectief, in navolging van de filosoof Thomas Nagel in zijn fascinerende boek The view from nowhere (1986).
Om de perspectieven te introduceren grijp ik terug op een aangrijpend verhaal dat Nagel in zijn boek vertelt. Toen hij op een bepaald moment colleges gaf aan Princeton University, verscheen er in een urinoir in het herentoilet van de filosofische faculteit een grote spin. Als het toilet niet gebruikt werd, probeerde de spin langs de metalen buizen of het porselein omhoog te kruipen, maar het lukte door de gladheid nooit om boven te komen en te ontsnappen; regelmatig werd hij door de waterspoeling weer naar beneden geworpen, en dan begon hij gewoon weer opnieuw aan zijn ontsnappingspogingen. Op de een of andere manier wist de spin te overleven. De zomer ging voorbij, de herfst viel in, en nog steeds probeerde de spin te ontsnappen uit het urinoir. Misschien was dat voor hem slechts een instinctieve gewoonte, maar toch zag zijn leven er ellendig en uitputtend uit.
Nagel kreeg met de spin te doen, en nam uiteindelijk in de winter het besluit om hem te bevrijden. De spin kroop gewillig op een stukje papier, werd door Nagel op de tegelvloer neergezet. Daar zat hij dan, maar vertoonde geen blijdschap en verroerde geen spier, ook niet toen Nagel probeerde hem met een handdoek in beweging te krijgen. Twee uur later zat de spin nog op dezelfde plek, bewegingsloos, verlamd. Toen Nagel de volgende dag terugkwam, lag hij daar, dood, met verkreukelde pootjes zoals spinnen dat hebben.
Wat is een spin nu helemaal? Objectief gezien is het leven van de spin van generlei waarde, voor hem ontelbaar veel andere. Toch werd Nagel steeds meer geroerd door de pogingen van deze ene spin om te ontsnappen, en uiteindelijk door zijn dood, ook nog eens door hemzelf veroorzaakt. Nagels subjectieve kijk op het spinnenleven begon het objectieve perspectief te verdringen, en hij raakte steeds meer betrokken bij dit op zich onbetekenende wezen. Bovendien, hoe zou de spin zelf zijn ontsnappingspogingen en bevrijding ervaren hebben? Had hij een subjectief perspectief, een kijk van binnenuit op zijn eigen leven? Wel mooi: Nagel redde deze spin door zijn verhaal van de vergetelheid.
Het fascinerende verhaal roept de vraag op hoe wij naar ons eigen leven en dat van onze medemensen kijken. De twee manieren van beschouwen, van buitenaf en van binnenuit, zijn eigen aan ons mensen, en we kunnen dus zowel op een objectieve als op een subjectieve manier over ons leven reflecteren.
Ook in de vertelling zien we beide perspectieven terug. Het meer objectieve perspectief herkennen we in het feitelijke relaas van de ‘erfdochter’, zoals de verteller door de vader genoemd wordt. Dat feitelijke relaas is de hoofdmoot van de vertelling, maar af en toe komt het subjectieve perspectief er tussendoor. Zo is de brief van vader aan moeder, als kopie gevonden door de dochter, sterk vanuit het subjectieve perspectief van de vader geschreven, met name omdat hij zijn kijk op hun relatie geeft. Maar ook bij de dochter-verteller zien we het subjectieve perspectief terug, bijvoorbeeld als zij spreekt over haar reactie op het vinden van die brief.
Ook in ons eigen leven worden we geconfronteerd met beide beschouwingswijzen. Deze staan soms op gespannen voet met elkaar en we zullen ze dan moeten zien te verenigen. In onze tijd dringt zich het objectieve perspectief vanuit de wetenschap aan ons op: evolutionair gezien zijn wij niet meer dan dieren, op kosmische schaal bestaat de mensheid nog maar enkele seconden, neurowetenschappers vertellen ons dat we ons brein zijn.
Als we maar voldoende afstand tot onszelf nemen is onze geboorte niet meer dan toeval, ons leven geheel betekenisloos en onze dood volstrekt onbetekenend. Van binnenuit echter lijkt het bijna onvoorstelbaar dat ik nooit geboren zou zijn, heeft mijn leven de grootst mogelijke betekenis, en is mijn dood de meest catastrofale gebeurtenis die me kan overkomen. Het objectieve perspectief doorzetten, de vergetelheid accepteren en mezelf zien als een ‘kleine, contingente en buitensporig tijdelijke organische bubbel in de universele soep’ (Nagel), leidt binnen het subjectieve perspectief tot een onacceptabele onverschilligheid met betrekking tot mijn eigen bestaan. Objectief gezien is de wereld heel goed denkbaar zonder mij, maar subjectief gezien is de wereld zonder mij ondenkbaar. De paradox is zelfs dat ik moet bestaan om te kunnen denken dat de wereld me niet zou hebben kunnen bevatten! Het punt is dat ik er bén, en dat de wereld ondenkbaar lijkt als ik er niet zou zijn. Opgaan in vergetelheid: onmogelijk!
Ten aanzien van het thema vergetelheid leveren beide perspectieven een interessant spanningsveld op. Objectief gezien komt aan mijn innerlijk leven een einde, en is het niet erg dat ik vergeten word of niet meer besta. Subjectief gezien echter is het, gegeven dat ik er nu ben, moeilijk voor te stellen hoe het voor mij zal zijn om geen innerlijk leven, geen gedachten en herinneringen meer te hebben. De staat van vergetelheid is het vooruitzicht dat mij te wachten staat, maar zij lijkt niet denkbaar! En daarom is het motto van de vader zo interessant.
Vorige tanhaibun: En het gebeurde Volgende tanhaibun: Een ruwhouten kruis
