Mijn vader is vanaf mijn twaalfde in het buitenland gaan werken. Hij doet grote klussen voor een oliemaatschappij; die met die gele Jacobsschelp. Shell begon ooit met de handel in sierschelpen. Mijn oudere broer is ook internationaal gegaan, hij werkt al jaren – en met plezier – bij de Royal Bank of Scotland. Mijn moeder is binnenhuisarchitecte, doet dat graag. Zij heeft vaste cliënten die haar ook weer bij anderen aanbevelen. En daarbij heeft iedereen het gevoel dat zij steeds iets nieuws tot stand brengt dat naar ieders zin is; uniek is. Twee keer heeft zij een ontevreden cliënt gehad. Dan is het no cure no pay.
Ik heb een mooi huisje, met een rieten dak, en aan de westzijde een tuin aan de rand van het natuurpark Doñana; met flamingo’s, meer of minder oranje getint. De heide krijgt rond deze tijd in het zonlicht een lichtpaarse glans die de volgende weken overgaat in die donkere gloed – over schoonheid gesproken. Ik maak er elke dag en avond een foto van; vanuit een vogelkijkhut met vier verrekijkers. Daarbij aansluitend – mijn passies zijn: heideplanten en Esperanto. Ik ben alweer meer dan tien jaar geleden afgestudeerd in de biologie met als specialisaties plantkunde en ecologie. Ernaast ook het bijvak natuurkunde.
Tussen al dat hei
vinden bodemplantjes
een eigen beschermplek;
in hete zomers, winters;
tenzij er schapen grazen.
Mijn ouders zijn – hoe vreemd het ook klinkt – naar tevredenheid uiteengegaan toen ik achttien was. De hartsvriendin van mijn moeder werd haar levensgezellin zoals zij haar noemde. Zij is heel slank en beweegt zich soepel (deed veel aan ballet). Daarom is zij voor mij mijn moeders levensgazelle. Die twee zijn nu echt gelukkig; eerder was het vooral nog ‘terzijde’. Mijn vader heeft ook iemand anders; zij zat heel wat jaren in een streng klooster; trad uit – op zomaar een dag. Zij ontmoetten elkaar bij een uitvoering van Oude Muziek. Mijn vader: Shell en Oude Muziek. Elke drie maanden komen ze ruim een week naar Spanje. Dan hebben we goede dagen, ondernemen van alles en gaan vaak uit eten.
Mijn broertje – ik noem hem altijd broertje, hij is immers jonger – woont nu in Singapore en strijkt ook wel eens bij ons neer; moet meestal gauw weer weg. Hij is heel aardig voor me. Als kind konden we heerlijk dollen en elkaar van alles vertellen, ook levensgeheimen. Ik weet er nog een paar; een ging over de slager die een dienstmeisje zwanger had gemaakt. Zijn vrouw nam het voor lief; de buurt was er nogal verbaasd over.
Mijn moeder zie ik wekelijks, we eten dan in hetzelfde restaurantje met een door druiven-ranken overdekt terras. Ik ben vegetariër, niet fanatiek, wel vasthoudend – laat me niet ompraten, zelfs niet voor een keertje. Ik heb doorgaans veel te doen; maak na het opstaan een lijstje met dingen voor die dag; behalve in het weekend.
Ik ben zo iemand
die graag zit te ontbijten
naast morgenglories.
Matsuo Basho, 1644-1694
Wanneer ik op mijn leven (tot nu toe) terugkijk – ik ben nu tegen de veertig: heb lieve mensen met wie ik het goed kan vinden, zo ook biologiecollega’s en Esperantisten. En wat ik zei, ik geniet in mijn knusse huisje, heb in de tuin een kruidenhoek met bijzondere planten; en een waterput met een kettingemmer. In het dorp maak ik een praatje met de bakker, groenteman; zit graag op terrasjes. Niet om naar voorbijgangers te kijken maar om weldadige rust te ervaren. Ik voel dat dan ook in mezelf. En dat is heel aangenaam.
~ ~ ~
Meestal ga ik zondags naar de kerk, de hoogmis. Dat orgelspel, daar houd ik zo van; ook van de weeë geur van wierook – die geur roept van alles in me op, of beter: maakt nogal wat wakker, vooral over vroeger als jong kind en op de lagere meisjesschool. Ik vier de katholieke feestdagen, de ontvangst van een nieuwe pastoor, huwelijken, leef op mijn wijze mee met begrafenissen en latere dankmissen. En die hoge glas-in-loodramen.
Mijn vader maakt iedere maand een mooi bedrag over waar ik van kan leven. Mijn moeder stopt mij ook vaak wat toe. Mijn broer heeft voor mij altijd echt verrassende cadeaus, de lieverd. De laatste keer een oude prent van een heideveld met een kudde schapen, ook zwarte exemplaren; en een ven met schraal begroeide oevers; een afstervende ruwe berk. Het wateroppervlak weerspiegelt stapelwolken; met een zwaar onweer op komst. Hij is intussen gescheiden en had in die tijd al (de ondeugd) een wat hij noemde: vaste vriendin, een Braziliaanse, wat gezet maar altijd opgewekt, goedlachs; met een prachtig gebit. Nog steeds smoorverliefd lopen ze altijd hand in hand. Die twee toch!
Ik ga zelden met vakantie, soms een lang weekend. Iedere dag is voor mij vakantie. Intussen werk ik hard aan van alles en nog wat, vind dat heerlijk. Ik slaap goed maar kort, hooguit vijf uur; kijk nauwelijks televisie – met die overdreven reclames. Ik zit al jaren op zangles; ben alt – ja, dat buikgevoel. In houd daarbij vaak als vanzelf mijn ogen lang dicht. Ik speel elke dag minstens een uur op mijn al twintig jaar oude klavecimbel, vooral het werk van Bach, Purcell, Händel, Telemann.
De vraag wie het belangrijkste voor mij zijn, is eenvoudig en eerlijk te beantwoorden: dat zijn de biologie en het Esperanto. Daar vul ik goeddeels mijn dagen mee. Ze zijn steeds bij mij in de buurt, ze zijn, mag je zeggen, mijn makkertjes. Mijn levensdingen. Daarbij is mijn promotor heel tevreden over de vorderingen. Nog een jaar of drie te gaan.
Het Esperanto wordt langzaamaan mijn native speech, hoewel dat bij een ontworpen kunsttaal in feite niet kan. Ik wil na mijn promotie een internationaal Esperanto-tijdschrift opzetten over de bestudering én eveneens de pracht van de heideplantenwereld – Flaŭro.
Daar staat in mijn tuin
een kleine camelia
zo wit te bloeien.
Uejima Onitsura, 1660-1738
Mijn vader sponsort dan voor de eerste twee jaar. Dat heeft hij met zijn hand op zijn hart beloofd. En wat hij zegt, doet hij. Een vader om trots op te zijn. Hij vroeg wel of er ook advertenties in mogen. Natuurlijk, maar alleen onderwerp gebonden, geen Shell dus.
O ja, wanneer ik, Alisa Hernández, in de spiegel kijk, kan ik er helemaal in ópgaan; daarom weet ik niet hoelang dat duurt. Mijn spiegelbeeld wordt intussen heel gewoon een ander – wat een gebeurtenis is dat – en krijgt iets van een jong gebleven tweelingzus die aandachtig naar me kijkt, soms eventjes glimlacht, een zachte knipoog geeft, tot ziens knikt met – hoe zal ik dat noemen? – iets dat goedbedoeld, dat waarachtig is. Wat dat iets dan is? Bijna zeker dat het iets dat ik ben een gebeurtenis is – ik, een Alisa-gebeurtenis.
Resonantie – Als in een spiegel
Erik Heijerman
Je hoeft er denk ik geen doorgewinterde psycholoog voor te zijn om te constateren dat er in de voorgaande tanhaibun een eenling aan het woord is. Als ik de tekst als autonoom opvat dan is de auteur een vrouw, wat bevestigd wordt door het feit dat ze in de laatste zin over haar spiegelbeeld spreekt als ‘iets van een tweelingzus’. Zij heeft geen vrienden of vriendinnen, begint meteen over haar vader, moeder en broer te vertellen, en zegt verderop dat de biologie en het Esperanto het belangrijkst voor haar zijn. Interessant is de manier waaróp ze dat zegt: ‘de vraag wie het belangrijkst voor mij zijn, …’, wordt: ‘de vraag wat het belangrijkste voor mij is’.
De biologie en het Esperanto worden dus door haar gepersonaliseerd, het zijn haar metgezellen, haar ‘makkertjes’ – in die zin ook: mijn levensdingen – op de levensweg, ‘daar vul ik mijn dagen mee’. Ze hoeft dan ook nooit met vakantie, want iedere dag ís vakantie. De manier waarop ze over zichzelf schrijft, is eenvoudig.
Korte zinnen vatten haar kijk op het leven samen. Als we uitgaan van het idee dat complexe zinnen ook complexe gedachtegangen weerspiegelen, kunnen we wellicht concluderen dat we hier met een overzichtelijk, redelijk eenvoudig levensbeeld te maken hebben, dit ondanks het feit dat zij bezig is met een promotie (in de biologie, als we dat tenminste mogen afleiden uit het feit dat ze over ‘biologiecollega’s’ spreekt), en daarom wel complexe gedachtegangen aan zal moeten kunnen; maar toch: haar leven bestaat grotendeels uit haar huisje, kruidentuintje en een waterput, voorts uit bezoekjes aan de bakker, de groenteman en een terrasje, en last but not least is ze blij met het bedrag dat ze iedere maand van haar vader krijgt, met wat haar moeder haar af en toe toestopt, en de altijd ‘echt’ verrassende cadeaus van haar broer, zoals een karmijnrode doos die hij haar voor haar dertigste verjaardag gaf, ‘de lieverd’.
Meestal gaat ze zondags naar de kerk om te genieten van het orgelspel en de weeë geur van wierook, ze speelt minstens een uur klavecimbel per dag, en ontwikkelt op zangles haar altstem. Wie zou denken dat we hier met een droge academica te maken hebben, komt bedrogen uit. Uit de vertelling blijkt dat zij ook een muzische kant heeft, en weliswaar een eenling is, maar desondanks niet solitair leeft. Haar eigen weg zoekend en gaand is zij ook ingebed in de gemeenschap gevormd door haar ouders en broer, de biologiecollega’s, de kerk, de Esperantomensen, de bakker en de groenteman.
Zij is een academische promovenda, met een intellectuele kant, maar in haar muzische, meer mystieke kant kan ze zich ook lichamelijk uiten: ze heeft het bij de zangles over ‘dat buikgevoel’. In die buik bevindt zich het middenrif, onmisbaar instrument voor wie zich de zangkunst eigen wil maken, een halfcirkelvormige spier die bij het inademen en daarmee uitzetten van de flanken afvlakt en zo een bodem vormt waarboven zich de klankkast van het lichaam met adem kan vullen, om zo de klank te vormen die via de mond het lijf verlaat en zich een weg zoekt in de ruimte.
Wie het lichamelijke gevoel dat hierbij hoort bewust ervaart, ervaart iets van ‘boven zichzelf uitstijgen’; bij het zingen is de héle persoon betrokken, zowel lichamelijk als mentaal (je moet weten wat je doet en de toehoorders zingend iets vertellen) als qua persoonlijkheid: het vergt durf (zing maar eens iets in je eentje voor publiek), zelfbeheersing, een goede houding, overtuigingskracht. En dan de wierook en de glas-in-loodramen; het orgel- en klavecimbelspel.
Voor wie er ontvankelijk voor is hebben deze alle iets transcendents, al was het maar omdat ze ons van onszelf afleiden naar iets anders, naar iets buiten ons, iets wat ons overstijgt. Klanken kunnen dat, geuren ook. De glas-in-loodramen vertellen eeuwenoude verhalen, zijn een lust voor het oog door de manier waarop ze het binnenkomende licht verspreiden (elk moment van de dag anders), voeren je naar een kleurige werkelijkheid die een wereld van schoonheid weerspiegelt waar je in kunt opgaan. In die zin heeft onze vertelster dus best wel een rijk leven.
Maar wie is zij eigenlijk? Aan het eind van de vertelling horen we hoe zij erin kan opgaan als zij in de spiegel naar zichzelf kijkt. De aandacht voor alles en allen om haar heen keert nu naar binnen. Wie ben ik? Voor het eerst noemt ze en horen we haar naam: Alisa Fernández. Dat is op zichzelf al een interessant gegeven: als iemand ons vraagt ‘wie ben je’ dan noemen we vaak als eerste onze naam, alsof die in een notendop onze identiteit onthult. Die eigennaam hebben we van onze ouders gekregen, daarmee gaan we door het leven en zijn we bekend bij de mensen met wie we in aanraking komen.
De eigennaam is vooral een sociaal iets, allerlei verhalen over iemands levensweg zijn ermee verbonden. Maar kennen doen we die persoon daarmee nog niet, en voor de persoon zelf is weten wat zijn of haar naam is al helemaal geen kennis van zichzelf. Een moeilijk iets, die zelfkennis. Het heeft te maken met het kennen van je diepste drijfveren, van de waarden die belangrijk voor je zijn, met weten wat je het diepst emotioneert, wat je belangrijkste karaktereigenschappen zijn en wat je het liefst wilt in het leven.
Vaak worden de ogen wel de spiegel van de ziel genoemd, en als wij elkaar in de ogen kijken, dan herkennen we daar vaak wel wat van. Maar wat zie je als je jezelf in de spie-gel in de ogen kijkt? Wie kom je dan tegen? Dat blijft toch vaak een raadsel. Of Alisa zichzelf echt in de ogen kijkt weten we niet, wel dat ze naar haar spiegelbeeld kijkt, er helemaal in opgaat en daarbij de tijd verliest.
En in dat proces wordt het spiegelbeeld opmerkelijk genoeg ‘heel gewoon een ander’, het krijgt iets van een ‘jong gebleven’ tweelingzus die aandacht voor haar heeft, en de dingen biedt die je als mens zo nodig hebt: een glimlach, een knipoog. Het is iemand die het goed met haar voor heeft en waarachtigheid uitstraalt. Misschien is het dat wat zij in haar leven – onbewust? – miste binnen de min of meer zakelijke relaties die ze heeft, zelfs met haar ouders. Haar spiegelbeeld – haar jongere ik – laat haar weten dat ze er mag zijn. In de waarneming van zichzelf voltrekt zich bij Alisa een proces van zelfacceptatie. Het iets dat zij is wordt een Alisa-gebeurtenis, door te kijken naar haar spiegelbeeld komt zij tot zichzelf, komt zij aan het licht.
Vorige tanhaibun: Zijn wolken Volgende tanhaibun: Langszij elkaar
