Zijn wolken

Mijn vader, timmerman, wist veel van wolken. Hij sprak er zelden over, zijn blik was wel vaak ‘naar boven’ gericht. Hij knikte dan ritmisch ‘ja’ of trok zijn onderkin nogal op als hij aan iets leek te twijfelen; met steeds zijn linkerhand op zijn achterhoofd. Mijn moeder verloor zich in lezing van de bijbel: ‘Gods Woord. Makkelijk schrijven kan Hij niet.’

Wij woonden afgelegen, in de buurt van een gehucht (amper 300 inwoners) met een kerk en een starre dominee. Zijn vrouw, zo ging het gerucht, had een kind van een andere dominee, een rekkelijke. Dat kind was mijn vriend. We hadden beiden rood haar, stotterden en werden vooral na schooltijd flink gepest. Daar hadden we het niet over. We trokken er veel op uit. Want we kregen ieder een fiets, fietsten er iedere dag flink op los. Hij won de sprints, ik kon hem op lange vlakke wegen goed aan, vooral met wind op kop. Meestal won ik. Hij wat grommend: ‘Ja, zo kan ik ook winnen.’

Dan de dag dat ik hem vertelde dat mijn vader veel naar wolken keek. Dat was een paar maanden nadat hij overreden werd, ter plekke stierf. Bij de begrafenis had de dominee het ook over wolken. Ik begreep die man niet. Hij had het over wolken die onderweg zijn naar God. Volgens mij gaan ze naar de horizon of blijven als schapenwolken boven de weilanden en spiegelende meren hangen; nogal lang, soms wel heel de middag.

Laat me de dagen
dat ik hoog in de wolken
meende jou te zien;
– naar je timmerwerk keek
als je zei: Zó, dat is af.

Mijn moeder ging een paar jaar later dood aan een hersentumor, hoe ze ook bad en om vergiffenis smeekte. Vaak keek zij mij dan droevig aan. Ik weet nog steeds niet waarom. Ik kwam in een gastgezin, nog een, toen een internaat, want ik was knap lastig geworden. Ze konden me wat. Als ik door het lint ging, kwam ik pas tot rust door naar mijn vaders wolken te kijken; die te ervaren, te ‘zien’: … en aan mijn moeder te denken, met haar neus urenlang in ‘haar’ Bijbel. Mijn lieve vriend miste ik ook. Die heb ik sindsdien niet meer gezien; of iets over gehoord. Hij is volgens geruchten ergens naar de Achterhoek gegaan.

Toen ik achttien werd, hoorde ik dat alles uit de erfenis mij toebedeeld werd. Ik kocht een flat met een klein dakterras. Toch ging het niet goed met me, ik raakte aan de drugs. Het werd van kwaad tot erger. Dan die nacht. Ik werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf – met gedragstherapie; keek daar uit op de binnenplaats.

Na ruim een jaar schreef ik de directeur. Of ik een cel aan de westkant kon krijgen, zodat ik de ondergaande zon kon zien; de wolken in het avondrood. Het antwoord was: ‘Nee; beschouw dit als onderdeel van je welverdiende straf. Blijf jezelf afvragen waarom je hier bent.’ Maandenlang was ik ziedend, maar hield me in. Op zich wel goed.

Die woedende wesp
stak de zandstenen Boeddha –
nog eens en nog eens.

Wakayama Bokusai, 1873-1913

Intussen las en las ik. En zag een oproep voor een schrijfproject voor gedetineerden. Zo kwam ik in contact met een schrijfcoach die mijn zielenmaat werd. Vervolgens: Uiteindelijk pakte ik met een psycholoog ‘die nacht’ op. Het bleek van doen te hebben met mijn vader die met mij nooit, nee, zelden over ‘zijn wolken’ sprak. Ze werden daarom niet ‘onze wolken’. Dankzij de therapie zijn wolken (in al hun vormenspel) mijn maatjes geworden. Ik ben intussen niet erg gelukkig, maar red het wel, denk ik.

~ ~ ~

Na mijn detentie ga ik in de Achterhoek op zoek naar mijn jeugdvriend, vooral met oproepen in stads- en dorpskranten. En ja hoor, na enkele maanden brengt iemand mij met hem in contact, in Winterswijk. We spreken af om als hernieuwde kennismaking een dag te gaan fietsen. Hij: ‘Maar niet bij stevige wind. Dan heb ik, denk ik, nog steeds geen schijn van kans.’ Tja, ik mountainbike bijna elke dag; heb mijn sprints behoorlijk verbeterd.

Hij is voor de kost makelaar en heeft van tijd tot tijd een vriend. ‘Maar geen moment langer dan nodig; ik leef het liefst mijn eigen leven.’ ‘Wat houdt dat in?’ ‘Dat vertel ik nog.’ ‘Daar hou ik je aan.’ ‘Maar dat ook wederzijds.’ Hij staat op de afgesproken plek. Nog steeds dat krullend felrode haar. Dat open gezicht. De schouders wat rond en licht hangend. Zijn armen langs zijn slanke lijf. Zijn voeten uiteen. ‘Jij lijkt wel een Indische loopeend.’ Dan dat schaterlachen van hem waar een ander zich door beledigd zou kunnen voelen. ‘Jij mag alles tegen me zeggen. Graag.’ ‘Nou, pas maar op!’ ‘Je bedoelt?’

Wonderlijk hoe die tussenjaren slechts een kleine overbrugging nodig hebben om weer van elkaar, van ons samen te worden. En dat zelfs tot onze jonge jaren in de buurtschap.

Ik zie hem nu vooral, zoals ik hem de jaren in mijn detentietijd voorstelde, niet ouder. Het blijkt een klein verschil: wat lijnen vanuit zijn ooghoeken, iets meer voorhoofdsrimpels, waaierstrepen aan zijn mondhoeken, een beginnende groef tussen zijn wenkbrauwen, borstelig rood. Een paar dagen ongeschoren of het is voor hem zó te doen gebruikelijk. Zijn oogopslag, dat alerte maar goedmoedige. Zijn krachtige neuslijn. Een mooie man.

Boven de velden
door niets of niemand bezwaard
jubelt de leeuwerik.

Matsuo Basho, 1644-1694

Na uren fietsen in weer en wind, is het nu tijd voor koffie en appeltaart. En ons gesprek. Na ruim een uur stappen we op. We weten het. Niets hoeft nog gezegd te worden.

We overwegen te gaan samenwonen; in Winterswijk. Mijn werk, redacteur bij een uitgeverij voor reisgidsen (aanbeveling van mijn schrijfcoach), laat dat toe: twee dagen Amsterdam, thuiswerk, skype-gesprekken. Hij geeft pianoles, treedt regelmatig op, vooral met uitvoeringen van Robert Schumann, zoals Winterreise en Kinderszenen. Het is heerlijk om na afloop samen nog een poos na te zitten.

Op een zomeravond vertel ik hem over ‘die nacht’. Hoe ik, stoned, door een stel homo-kornuiten op grove wijze werd aangepakt, een ontzielde fles pakte, wild in het rond sloeg. Ik wilde niet misbruikt worden; verzette me heftig maar voor de anderen, besefte ik later, levensgevaarlijk.

De nachtegaal kwam –
op het diepgroene mosveld
staat hij te zwijgen

Tan Taigi, 1709-1772

Peter kijkt mij aan. ‘Richard, ik zou dat met die ontzielde fles ook gedaan hebben. Ook als ik erbij geweest was; daar, bij jou.’ En: ‘Dat ik toen niet bij jou was, dáár, dat was geen verraad van mijn kant maar ontreddering. Ik wist me geen raad met mijn gevoelens; en ik vluchtte.’ Maar: ‘Jij zocht mij; jij vond me. Blijf bij mij.’

 

Resonantie – Abide with me
Erik Heijerman

‘Blijf bij mij’, zo eindigt de vertelling na de woorden ‘jij zocht mij; jij vond me’. Het zijn woorden die perfect passen bij het einde van een romcom. In een romantische komedie gaat het immers vaak over twee personen die elkaar ontmoeten, zich tot elkaar aangetrokken voelen, door allerlei komische ontwikkelingen van elkaar gescheiden worden, en elkaar uiteindelijk toch terugvinden: eind goed al goed. We komen het genre al bij Shakespeare tegen: All’s well that ends well en Much ado about nothing zijn er klassieke voorbeelden van. Van een komedie is in onze vertelling echter geen sprake, veel te lachen valt er niet. Immers, zoals in veel verhalen in deze bundel het geval is worden we ook in deze vertelling geconfronteerd met een dramatisch aspect of een tragisch voorval in het leven van een van de personages.

De verteller, wiens naam we overigens pas aan het einde te horen krijgen, groeit op in de buurt van een klein gehucht. Vader is timmerman, moeder een vrome vrouw. Een klassiek protestants christelijk gezin – moeder leest zelf de bijbel – dat ik goed ken uit mijn eigen Achterhoekse jeugd. Ik heb nog altijd het bijbeltje van mijn moeder, een klein boekje van 8 bij 12 centimeter, met uiterst kleine lettertjes. Ze maakte aantekeningen in dat bijbeltje, schreef hier en daar haar naam in de kantlijn, zette er data bij en onbegrijpelijke getalscodes. Raadsels uit het leven van mijn moeder, ze heeft nooit verteld waarom ze dat deed en wat die codes betekenden. Niemand van de familie die het weet.

De moeder uit het verhaal heeft ook haar geheim, want de verteller weet niet waarom ze zo veelvuldig bad en om vergeving smeekte toen ze een hersentumor kreeg. Heeft ze misschien iets vermoed over de geaardheid van haar zoon en voelde zij zich daar schuldig over? Homoseksualiteit werd indertijd – en in sommige orthodox-christelijke kringen nog altijd – afgekeurd, het was tegennatuurlijk en in strijd met de door God ingestelde scheppingsorde. Maar ook vaak verzwegen, om schande te voorkomen.

De vader had tevens zijn eigenaardigheid: hij was geobsedeerd door wolken, keek vaak ‘naar boven’. Was dat zíjn manier om religieus te zijn? In de bijbel zijn wolken immers een teken van Gods aanwezigheid. Denk bijvoorbeeld aan de hoge berg waar Jezus in gesprek raakte met Mozes en Elia, en de schaduw van een stralende wolk over hen heen gleed, waaruit de stem van God klonk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde’ (Mattheüs 17,5). En staat in het boek Openbaring niet geschreven dat Jezus zal komen met de wolken?

De dominee had het bij de begrafenis van de vader eveneens over wolken, over ‘wolken die onderweg zijn naar God’. Dacht hij aan de hemelvaart van Christus? ‘Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen’ (Handelingen 1,9). Zou de dominee dat als beeld gebruikt hebben voor de weg die de vader van de verteller na zijn dood ook gegaan is? Dan was hij bij de verteller vermoedelijk aan het verkeerde adres. Die ‘ziet’ niets in de wolken, heeft er een naturalistische opvatting over: ze gaan ‘naar de horizon of blijven als schapenwolken boven de weilanden en spiegelende meren hangen’. Desondanks zullen wolken wel een thema in zijn leven worden, het ging van vader op zoon over.

Na deze inleidende beschouwingen komen we bij het belangrijkste van de vertelling: de relatie van de verteller met zijn vriend. Er werd gezegd dat zijn biologische vader eigenlijk een andere dominee was, ‘een rekkelijke’. De verteller en zijn vriend worden gepest vanwege hun rode haar en hun gestotter (dat enkele decennia geleden veel vaker voorkwam dan tegenwoordig).

Een paar maanden na de dood van zijn vader vertelt de verteller zijn vriend dat zijn vader veel naar wolken keek. Er staat: ‘Dan de dag dat …’, wat er op duidt dat dit een memorabel moment voor de verteller moet zijn geweest, iets intiems dat hij niet zomaar aan iedereen vertelde. Toen ook zijn moeder overleed, kwam de verteller in gastgezinnen terecht, uiteindelijk in een internaat, en werd ‘knap lastig’ in zijn pubertijd. Opnieuw de wolken: alleen zij slaagden erin hem tot rust te laten komen, door ze te ervaren, te ‘zien’. Deden ze hem aan zijn vader denken?

Zijn vriend was volgens de geruchten ondertussen naar de Achterhoek vertrokken, en de verteller raakte verslaafd aan drugs. Tot hij in een fatale nacht een misstap beging die hem voor drie jaar in de gevangenis deed belanden. Daar werd hem een cel aan de westkant ontzegd, en daarmee de mogelijkheid om de wolken in het avondrood te zien. Gelukkig kon hij het wolkenthema gaande houden, door erover te schrijven met een schrijf-coach die zijn zielenmaat werd.

In contact met een psycholoog bleek bovendien dat die wolken nauw met zijn vader verbonden waren. Alleen sprak zijn vader er zelden over, zodat de wolken niet ‘onze wolken’ werden, net zomin als zijn moeders bijbel ‘onze bijbel’ werd, en ook in de relatie met zijn vriend ontbrak ergens een gezamenlijkheid. Toen de detentie voorbij was, ging hij op zoek naar zijn vriend. Hij vond hem in Winterswijk, in de Achterhoek. In de zacht erotische beschrijving, blijkt hoe mooi de verteller hem nog altijd vindt. De afstand die hen scheidde in de tijd wordt makkelijk overbrugd, die tussenjaren worden al snel weer ‘van ons samen’, en het duurt niet lang of ze gaan samenwonen. De verteller vindt dan ook de vrijheid om te spreken over ‘die nacht’, waarin hij door een stel ‘homokornuiten’ bijna werd verkracht, had hij niet met ‘een ontzielde fles’ wild in het rond geslagen.

Nu alles is gezegd wat moest worden gezegd, is de weg ook vrij om de namen van de verteller en zijn vriend openbaar te maken: Richard en Peter. En nu zij elkaar zo dichtbij zijn gekomen, kunnen zijn wie en zoals ze zijn, vindt Peter in de laatste alinea ook de ruimte om te bekennen hoezeer hij ten tijde van ‘die nacht’ ontredderd was, geen raad wist met zijn homo-erotische gevoelens, en vluchtte. In hoeverre Richard zich van die vlucht bewust was, is niet helemaal duidelijk, maar hij is naar Peter op zoek gegaan en heeft hem teruggevonden. Daar spreekt verlangen uit, vriendschap, en mogelijk ook vergeving, door Peter beantwoord met: ‘Jij zocht mij; jij vond me. Blijf bij mij.’ Geen einde van een romcom, wel een (toch) romantisch einde van een geschiedenis waarin een heftig voorval gemakkelijk het einde van een vriendschapsrelatie had kunnen betekenen. Zou een wolkkolom hen door die Rode Zee hebben geleid?

 
 

Vorige tanhaibun: Het landhuis          Volgende tanhaibun: En het gebeurde