Het landhuis – La casa de campo – España

Bij volle maan stapt Tabora in haar auto, een uurtje rijden en ze ziet vanaf een heuvel het beukenbos. Dat moment, vooral als het een wolkenvrije lucht is, als heel de hemel dat weidse heeft, er over het bladerdak een grijze gloed ligt. Zij parkeert op een vaste plek, doet het rugzakje om, zet er stevig de stap in; het pad kent zij door en door.

Het bos uit haar jeugd:
aan haar moeders hand, varens,
die verstopplekken –
de grauwe beuk, toen nét dood,
nu overdekt met zwammen.

Dan komt die diepe woede weer in haar omhoog, een woede waar zij zich niet altijd bewust van is maar die nooit weg is, die haar niet altijd voor ogen staat maar er steeds diep in haar ís. Zowel tijdens haar werk als in het weekend. ’s Avonds als zij thuis is of erop uit gaat. ’s Nachts, waardoor zij vaak onrustig slaapt.

Tabora kent de weg door het beukenbos als geen ander. Het brede hoofdpad met daarnaast aan iedere kant twaalf beuken, keurig en strak op rij; ieder van de vier-en-twintig met een naam volgens het alfabet, de Q en X ontbreken. De eerste links begint met Analena, de eerste rechts met Blandina, dan weer links Carminda en rechts Damita. En zo voort. Steeds met minstens tweemaal een ‘a’ in de naam. Het is intussen een ingesleten, geheiligd begindeel van een ritueel om zo het beukenbos binnen te komen: stap voor stap, op het juiste moment links of rechts kijkend. Het kan op deze wijze voor haar werken als aanvang van een bezweringshandeling.

Soms staat zij stil; kijkt om zich heen, omhoog, pakt uit haar tas een spiegeltje: ziet zichzelf, knikt zichzelf toe. Dan doet zij haar ogen dicht en wenst wat in haar opkomt.

Dit nazomerlicht
op het beukenblad – die gloed,
het nachtelijk ruisen.

Aan het eind ligt een open plek met vaalgeel zand. Daar stond het landhuis. Tabora kan over die plek lopen, ergens stilstaan, rondkijken en precies weten waar zij is: in de grote huiskamer met de open haard, die geur van het smeulend hout, in de keuken waar huishoudster Aina het een en ander bereidde, omringd door het kalme geluid van schalen, ritmisch water oppompen, open- en dichtdoen van kastdeuren en laden.

Tabora zat in welk seizoen dan ook dikwijls bij het grote, donkergranieten aanrecht en keek zo onopvallend mogelijk naar Aina die doorlopend neuriede, soms diep ademhaalde terwijl zij zich omhoog hief of vooroverboog, dan weer doorneuriede, zich nauwelijks iets van Tabora aantrok en van tijd tot tijd vroeg hoe de studie ging, het antwoord niet afwachtte; of ergens halverwege zei: ‘Mooi zo. Blijf je best doen.’

De bijkeuken met het uitzicht op de schuur met het bemoste rieten dak, licht aan het verzakken. De wanden en deuren worden ieder najaar gitzwart geteerd en krijgen dan bij maanlicht die speelse maar vervreemdend glanzende twinkeling. De hoofddeur – met aan de bovenkant een ronding – staat bijna altijd op een kier. Dan stokt Tabora’s adem, weer. Zij dwingt zich, hoezeer zij ook weg wil rennen, om ernaar te blijven kijken. Want daarachter werd zij, op gestapelde balen hooi, ooit bruut verkracht.

Het langsgaand leven,
overladen met verdriet
– niet te vergeten,
beklemd als ik ben, lang al;
hoor de avondklok, galmend.

Dochter, 1020-1059, van Sugawara no Takasue

~ ~ ~

Achter het landhuis ligt een weide waarop enkele grootgrazers lopen. Hun diepbruine, grofbehaarde huid, hun stugge koppenbonken, hun heesschurend loeien, ze roepen allerlei mystificaties op; vooral dat gevoel van doem, dat haar woede machteloos maakt; zó dat zij kreten uitstoot, om zich heenslaat, op haar lippen bijt, tot bloedens toe. En zich klein maakt, ineengedoken met haar armen kruiselings over haar hoofd heen, handen voor de ogen. Snikt. En pas na een tergend lange tijd bijkomt.

Dan is zij in haar eentje, want zij kan zich hier bij anderen niet over uiten, durft het niet. Zij alleen weet hiervan; en ik, sinds kort haar vriendin. Zij beseft dat zij zich het liefst van alles en iedereen wil afwenden, eindeloos ver weg wil gaan, desnoods onder het mom van een pelgrimage, ergens in een moeilijk te vinden boshuis zal gaan wonen; maar wil dat ook weer niet. Dat heen en weer geschud worden.

Tabora zál iets met, nee: áán die woede moeten doen, vindt zij: ‘die niet te beteugelen woede’. Ik hoef van haar nog niet te weten wát en hóe. Dat vraagt zij ook niet van mij. Wel wil ik er na zulke momenten voor haar zijn. Want wij zijn, hoe kort ook, vriendinnen. Maar – het is of wij elkaar al jaren kennen; hoe kwetsbaar ook.

In het bergdorp valt
de sneeuw hoger en hoger;
voor wie daar woont:
gaan diens zorgen misschien óp
in het alomvattend wit?

Mibu no Tademine, ca. 960

Daarom kan ik zo verbijsterd zijn en me zo rot voelen over wat zij doorgemaakt heeft en nog steeds meemaakt. ‘En daarom juist wil ik bij je zijn!’ knik ik haar toe. Zij kijkt mij dan aan, slaat haar ogen neer: ‘Ook in vriendschap, zelfs in liefde is niet alles uit te wisselen of bespreekbaar te maken.’ Maar geloof me: het doet me ontzettend goed om jou zo mee te maken wanneer ik ontredderd ben. Want – steeds weer die verkrachting, zo bruut én in het stikkedonker; en dát was het allerverschrikkelijkste ervan.’

~ ~ ~

Met medeweten van Tabora: Op een gegeven moment – na een nogal donkere periode – wijzigde zij via de kantonrechter haar naam, Vinya, in Tabora. Ook de huishoudster Morisa noemde zij voor zichzelf sindsdien Aina. Dat geldt tevens voor enkele andere namen, zoals die van haar moeder, nu Madina; en haar moeders lieve maar nog steeds eigenzinnige hond Victoria: Valeriano. Mij, Dita, noemt zij – tussen ons, niet naar anderen – Samira: metgezel voor de avond. Tabora heeft het dan over haar binnenwereld met háár namen. Die namen met ieder twee a’s; evenals de beuken van de oprit. Die personen (en Valeriano die zij graag uitlaat) staan dicht bij haar, zijn er voor háár – over een poos zij ook voor hen; en vooral met en voor elkaar.

Mijn vader is coördinator ‘Keuzevakken’ aan de Volkshogeschool, Cordoba. Een aantal leerlingen maakt in overleg met hem als vrije opdracht 24 naambordjes voor op de beuken met op ieder naambordje de naam met twee a’s die Tabora aan die beuk gaf; en stenen met I t/m XXIV.

Van ver en nabij
ruisen de watervallen,
dwarrelt er blad neer.

Matsuo Basho, 1644-1694

Verderop, waar het landhuis stond, komt over ruim twee jaar een houten gebouw voor ontmoeting, overleg en nascholing van boswachters uit de wijde omgeving.

 

Resonantie – Wit van sneeuw
Erik Heijerman

Deze vertelling zoomt in op Tabora, die ooit in een schuur bij een landhuis bruut ver-kracht werd. We lezen hoe zij door een beukenbos naar die plek terug gaat, vol van een diepe woede die nooit weg maar altijd op de achtergrond aanwezig is, en af en toe weer in haar omhoog komt. Als zij bij de open plek met goudgeel zand aankomt waar vroeger het landhuis stond, weet zij nog precies wat waar was, de plattegrond zit in haar hoofd, ook de plek van de schuur waar het – op gestapelde balen hooi – gebeurde. Achter het landhuis laat ze haar emoties de vrije loop, haar kreten mengen zich met het schurende loeien van de grofbehaarde grootgrazers, ze slaat om zich heen en bijt tot bloedens toe op haar lippen, om vervolgens ineen te duiken, de armen kruiselings over haar hoofd, de ogen bedekt, van alles en iedereen wegvluchtend en veiligheid zoekend bij zichzelf.

Het meemaken van een verkrachting moet iets verschrikkelijks zijn. Tabora is als vrouw vernederd, haar gevoel van veiligheid en zelfvertrouwen is geschonden door de inbreuk op haar lichamelijke integriteit. Naast machteloosheid en hulpeloosheid is haar belang-rijkste emotie volgens de vertelling woede, dag en nacht bij haar aanwezig. De kans is groot dat zij aan de verkrachting een posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft overgehouden. Toch gaat zij weer naar de plek van het landhuis, en niet voor de eerste keer.

Dat is een mooi voorbeeld van de manier waarop de werkelijkheid voor ons betekenis kan hebben. De moderne wetenschap met haar kaarten, digitale navigatie en klokken kan elke tijd en plaats op een exacte en neutrale manier bepalen. Maar dat is niet de wereld waarin wij leven. In onze leefwereld zijn plaatsen en tijden niet allemaal gelijk of gelijkwaardig, ze hebben specifieke betekenissen. Voor Tabora zal de schuur van het landhuis voor eeuwig de plek zijn ‘waar het gebeurde’. Die betekenis zit vast aan, is belichaamd in die plek, zelfs als de schuur er niet meer is (wat in de vertelling het geval is).

Het is te vergelijken met de manier waarop de betekenis van een gedicht belichaamd is in precies die woorden die in het gedicht gebruikt worden, een onlosmakelijke combinatie van betekenis en materialiteit. De betekenis van een gedicht is een sterk geïncarneerde (belichaamde) betekenis, want als je haar in andere woorden samenvat, mis je de specifieke betekenis van het gedicht (zie de tanka’s in de vertelling). In deze zin heeft de plek van het landhuis voor Tabora dus een sterk belichaamde betekenis.

Dat komt bij haar zelfs in een rituele vorm tot uiting. Als ze naar het landhuis gaat, parkeert ze op een vaste plek en loopt vervolgens over het hoofdpad door het beukenbos naar de plek waar het landhuis vroeger stond. Aan beide kanten staan twaalf beuken, die zij alle een naam gegeven heeft, elke naam met minstens twee keer een a erin, net als bij haar eigen naam: Analena, Blandina, Carminda, Damita. Ook de huishoudster uit het landhuis, Aina, voldoet aan deze regel.

Als ze langs de bomen loopt, kijkt ze telkens naar links of rechts en noemt hun naam. Dit ‘geheiligd ritueel’ werkt volgens de vertelling voor haar als een bezweringshandeling: zo bezweert ze haar eigen angst om nogmaals op die plek te verkeren en opnieuw geconfronteerd te worden met wat haar ooit overkwam. Op deze manier durft ze het gebeurde weer onder ogen te komen, in de ogen te kijken, het niet uit de weg te gaan. Is het een manier om zichzelf opnieuw te hervinden, te definiëren, te zuiveren, een manier om te overleven?

Hoe dat ook zij, ze wordt erin bijgestaan door een vriendin, de ik-persoon in de vertelling. Zij beseft hoe Tabora de eenzaamheid nodig heeft, maar tegelijk niet ‘eindeloos ver weg’ wil gaan. Die vriendin leeft zeer met Tabora mee, is er voor haar en voelt zich verbijsterd en rot mét haar. Tabora kan met anderen niet over haar verkrachting spreken, ze durft zich niet te uiten. De vriendin is daarop de enige uitzondering, maar zelfs haar vertelt Tabora niet alles, dat kan volgens haar zelfs in vriendschap of liefde niet. Zo houdt ze sommige dingen uit zelfbescherming voor zich, maar ze is er heel blij mee dat de vriendin voor haar een luisterend oor wil zijn, ook als er stiltes en alleen maar tranen vallen vanwege haar bijna altijd aanwezige ontreddering.

Toch is zij, ondanks de ontreddering, niet geheel passief. In de voetnoot vernemen we hoe Tabora oorspronkelijk Vinya heette, maar haar naam via de kantonrechter in Tabora heeft laten veranderen. Een andere naam, een nieuwe identiteit. En daarin neemt zij degenen die dicht bij haar staan mee: de huishoudster, haar moeder, de hond van haar moeder, en ook de vriendin. En natuurlijk de bomen!

Al de nieuwe namen tezamen vormen een opmerkelijk voorbeeld van een bezweringsformule: die haar ‘dichtbij’ zijn, worden mét haarzelf, nu Tabora, bijeengebracht in het naamritueel met de twee a’s.

Prachtig hoe in de tanka aan het einde hoopvol beschreven wordt hoe de zorgen van de mensen in het bergdorp opgaan ‘in het alomvattend wit’. Zal dat ook bij Tabora het geval zijn? En de plek waar het allemaal voorviel ondergaat ook een betekenistransforma-tie. De vier-en-twintig bomen krijgen door toedoen van de vader van Samira naambordjes. Op ieder naambordje staat de naam die Tabora aan die beuk gaf; en op de stenen de neutrale aanduidingen I – XXIV. Op de plek van het landhuis komt een nieuw gebouw bestemd voor boswachters.

De verschrikkelijke betekenis die deze plek voor Tabora had zal vermoedelijk nooit helemaal voor haar verdwijnen, maar misschien wordt die door dit soort transformaties en de werking van de tijd enigszins ingekapseld, en daarmee op beheersbare afstand gehouden.

1 In wat volgt neem ik een gedachtegang over uit het boek Rituelen. Waarom we niet zonder kunnen, van Herman De Dijn (Kalmthout: Polis, 2018), met name de paragraaf ‘Betekenisvolle plaatsen en tijden’, pag. 123-127

2 Wiskundige taal is zwak belichaamd, want te parafraseren zonder verlies aan betekenis. Muziek daarentegen is de sterkste vorm van sterk belichaamde betekenis. Verander één noot aan een melodie, en je hebt een andere melodie. De term ‘geïncarneerde betekenis’ ontleen ik aan Arnold Burms en Herman De Dijn, De rationaliteit en haar grenzen. Leuven/Assen 1995, pag. 34-35.

3 ChatGPT geeft verschillende voorbeelden, zowel uit de filosofische als de literaire literatuur, van de manier waarop vrouwen rituelen en symbolische handelingen gebruiken om aldus om te (leren) gaan met verkrachting, trauma en woede.

4 Wie thuis is in de bijbel zal hierbij mogelijk denken aan Jesaja 1:18: ‘Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw’.

 
 

Vorige tanhaibun: Na hun jaren          Volgende tanhaibun: Zijn wolken