Kalm nazomerlicht

1

Sinds een aantal jaren ben ik van tijd tot tijd bij een herder met een tachtigtal geiten en vijf honden. Zij trekken door het glooiend landschap, dicht langs dorpen en dwars door gehuchten, nemen vooral de beschaduwde heuvelflanken, maken voor het melken waar dan ook tussenstops en overnachten ter plekke. Elke morgen knikt de herder, blaft de hoofdhond, komt de kudde in beweging, gaan ze op pad.

Wij zitten op een middag in kalm nazomerlicht; bij een scheefgegroeide parasolden:

een boomleeuwerik
zingt almaar hoger, lichter
– dezelfde tak

De herder maakt mij duidelijk dat dit zijn wereld is, dat het hierbij mag blijven. Niet meer wensen dan: goed zijn voor zijn geiten en zorgen voor zijn honden, zijn gezin onderhouden, een aardige vader zijn, straks grootvader. En in de mannengroep – voor hem slechts eens in de zoveel tijd – elkaar vertellen over wat ieder van hen na aan het hart ligt of zo bezighoudt; en dan erover zwijgen.

uit zomerweiden
kijken koeien naar mensen,
hun horens heffend

Seira, 1739-1791

2

Ergens in het landschap is de herder, Paco, aan hartfalen – er waren al geruime tijd diverse voortekenen van – in elkaar gezakt, overleden. De hoofdhond hield de kudde ter plekke bijeen: er kwam geen andere opdracht, zoals: grazen maar. De geiten werden ongedurig, hun luide mekkeren sprak ervan – hun graasdrift. Een keuterboer zag het; bracht de kudde vaardig terug naar het honk.

de lente gaat heen,
maar zij lijkt te aarzelen
in late bloesems

Taniguchi Buson, 1715-1783

Vanuit de mannengroep werd me gezegd dat er voor het gezin gezorgd wordt, dat de pastoor vier hoogmissen voor Paco opdraagt, dat hij het een enkele keer over mij gehad heeft; als een natuurlijke nomade.

Even in de marge van Paco’s herdersleven, ook in de mannengroep geweest te zijn, tja, enkel door er genoemd te worden, daar even ‘in taal’ aanwezig te zijn geweest.

korstmos op een steen –
aangehecht leven dat duurt
naargelang de tijd

3

Onlangs kwam ik weer bij de ontmoetingsplek: ‘De kudde steekt de weg over. Ik stap van de fiets. Maar, met een korte blaf zet een hond de kuddegang stil. Ik loop iets verder. De kudde gaat voort. De herder en ik knikken elkaar toe; naast hem de hond, zijn hoofdhond. Ik geniet van dit gebeuren. Na een paar minuten wenkt de herder me, nodigt me bij hem uit.’

de herfsthemel rijst
hoog boven de heuveltop
waar een ceder staat

Enomoto Kikaku, 1661-1707

Paco leerde zichzelf ooit wat Engels, viel er in eigen kring niemand mee lastig. Als enig kind nam hij de kudde over, wilde deze ‘ná mijn ouders’ overdoen aan een familielid. Dat is er op andere wijze van gekomen.

de geiten hoedend
vanuit iets onbesprokens:
een soort vaderplicht

De vaderplicht zoekt hij niet in herdersopvolging. Zelf van huis uit geen herder, raadde hij zijn zonen aan een studie te gaan doen.

4

Paco heb ik alleen ‘in de open velden’ gezien; blikken van verstandhouding mee gewisseld, een mondje Engels ter ondersteuning. Toch werd alles duidelijk door onze ‘beeldtaal’.*

de maan snelt verder,
maar regendruppels blijven
aan takken hangen

Matsuo Basho, 1644-1694

Om hém zie ik menig keer weer voor me dat samen zitten op een middag in kalm nazomerlicht, zoals indertijd, bij een oude, scheefgegroeide maar hemelse parasolden:

een boomleeuwerik
zingt almaar hoger, lichter
― op dezelfde tak

* De kudde ging over naar een achterneef. Mede daardoor konden de twee zonen inderdaad universitair gaan studeren. Zij studeerden cum laude af ‘omwille van papa’.

 
 

Vorige vertelling: Jezelf ontvallen          volgende vertelling: Vier haibuns