Mare

De zee van eeuwen —
geuren, onbestemd maar zilt,
maanlicht op golven;
dit alles valt nu samen
in: Mare, jij wordt verwacht.

Vloed en eb en vloed,
de branding die zich verplaatst,
steeds weer anders breekt,
meeuwen roepen, hun geduikel;
wij gaan jou Mare noemen.

Uren aan het strand,
steltlopertjes, een zandbank,
een tijd van wachten;
de vloed komt op, blauw de zee;
jouw naam, vertrouwd al: Mare.

In het hoge helm
dat van duin tot duin meegeeft
met een zomerbries,
soms neerslaat in een stormvlaag,
opveert; en jou, Mare, ontziet.

Vroeg in de morgen:
zeenevel schuift het duin in,
hangt tussen dennen,
verhult huizen; wij wachten,
Mare, tot de zon doorbreekt.

Uren golven zien,
strand, ruimer ademhalen,
wij met z’n drietjes;
meeuwen horen en je naam
al hardop zeggen: Mare.

Tussen zee en lucht
een kaarsrechte horizon;
wat dolle meeuwen,
groene golving door het duin;
tot jij, Mare, bij ons komt.

Dat eeuwig kalme
of golven met spattend schuim,
het azuurblauwe
of een regenboog; en jij
vindt er, Mare, je plek in.

Achter de branding
het grijsgroenblauwe palet
over de golven;
twee vissersboten — ik zing,
Mare, ’n zeemanshavenlied.

Terug het duin in
met de zee nu achter ons,
zon op onze huid,
zilte geuren, dat voldane;
straks met jou, Mare; maar niet.

 
 

Vorig gedicht: Die dagen          volgend gedicht: Vast wel