Een duivenroep – 2

24 augustus 2000. Ik hoor op verschillende plaatsen duiven koeren en schrijf, en passant, een notitie: ‘wat later in de morgen koeren duiven, vallen stil.’ Ik breng een woordwijziging aan en de eerste versie van een tanka voor Moeder is er:

Het zijn de dagen
van gemis – niet meer uw stem,
uw lach te horen;
wat later in het morgenlicht
koeren duiven, vallen stil.

Rond koffietijd, de 25e augustus, na een paar uur ochtendslaap, maak ik een aantal kopieën van de ‘aanzet’ en stuur die aan zussen, broers en enkele dierbaren.

Moeder is niet alleen een prachtmoeder geweest voor haar eigen kinderen, maar ook voor de aangetrouwde kinderen die zij als haar eigen kinderen beschouwde. En kwam er in het leven van een van haar kinderen een nieuwe levenspartner, dat veranderde daar niets aan. De ex bleef gewoon haar eigen kind. Vandaar de klassieke uitspraak van Moeder: “Ik heb waarachtig meer aangetrouwde kinderen dan eigen kinderen. En dat zal wel op dezelfde manier gaan bij mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar. Het is niet anders.”

Haar kleinkinderen en achterkleinkinderen. Moeder heeft haar hele leven op kenmerkende wijze waargemaakt: “Laat de kleinen tot mij komen.” Ten volle. Tijdens haar laatste dagen mompelde zij soms de namen van haar (achter)kleinkinderen. “En juist door die herhaling”, zei Moeder ooit, “raakt het je dieper en dieper.” Voor Moeder waren haar (achter) kleinkinderen haar rotsvast geloof in de toekomst van deze toch wel rare wereld. Zij verzuchtte: “In wat voor wereld leven we toch, vandaag de dag. Wat kun je daar nog mee? Wat moet dat worden met mijn achterkleinkinderen? – Maar ik geloof vast dat die het wel redden! Mij is het ook gelukt!”

De herinnering aan Moeder. Beelden en wat zij zei komen terug. Intussen maai ik het gras en hoor van dichtbij een duif. Ik sta stil; een variant voor de tanka komt in me omhoog: ‘wat later in het morgenlicht koert een duif en valt plots stil.’ Die ene duif – die daar, ergens.

Enige tijd geleden hoorde ik in een uitzending van Vroege vogels een schitterend relaas van een promovenda die zich bezighield met de ‘koertaal’ van duiven. De lengte van elke koer, de intonatie ervan, ‘persoonlijke’ variaties erin én de afbreking aan het eind van de koer zijn wezenlijke en veelzeggende onderdelen van hun druk gebezigde ‘spreektaal’ als communicatief middel. Het proefschrift heb ik aangevraagd, ontvangen en met rode oortjes gelezen. Het heeft iets van doen met poëzie. Het bevat ook dertien schitterende stellingen.

Terzijde, Moeder had ook iets bijzonders met het getal dertien. Enkele voorbeelden: zij is geboren in 1913, was dertien jaar jonger dan Vader, had haar visioen dertien jaar na het sterven van Vader (1984-1997), overleed zelf dertien jaar na haar schoondochter Dixie (1986-1999), wordt vandaag op de 13e juli – tevens de geboortedag van haar dierbare zoon Rob – begraven; en loste van haar laatste woordzoekpuzzel dertien woorden níet op.

25 augustus 2000. Carla belt dat zij later thuiskomt. Zij ging vanmiddag met een collega die zijn golfhandicap aanzienlijk wilde verlagen de 18 holes van de Oosterhoutse Golfclub spelen en gaat ter afsluiting nog een hapje met hem eten. Ik heb mijn groentes gekookt en zit buiten te eten, nu met een mooi glas rode wijn.

De schemering valt en vormt lange schaduwen. Het afnemend licht, de vervaging van vormen, de trage terugloop van kleuren en de grootse avondhemel boeien me niet alleen, maar raken me. “De avond wondert zich tot nacht”. (Hans Faverey)

Tussen de territoriazang die van alle kanten weerklinkt, hóór ik op een stil moment opnieuw een duif. Het koeren heeft nu alles van een roep; en vooral van de emotie ervan. Een duivenroep. Die beleving leidt, na Moeders stervensnacht toen, tot de eerste tanka ter nagedachtenis aan Moeder; een tanka voor Moeder.

Het zijn de dagen
van gemis – niet meer uw stem,
uw lach te horen;
in een late schemering
roept een duif en valt plots stil.

De uitvaartdienst voor Moeder, 13 juli 1999. Misschien kan ook gesproken worden van een rite de passage, een overstap; een doortocht. Paul Ricoeur, een eminent Frans filosoof, schreef: “Sterven is zich een doortocht banen vanuit het aardse en tijdelijke leven naar het absolute niets of het eeuwig hemelse – afhankelijk van waarin men gelooft.” Een intrede in een andere werkelijkheid. En juist in ons verdriet erom ligt een kiem van ware vreugde besloten als de stervende deze overstap naar waar dan ook met volle overtuiging maakt.

In 2001 schreef ik voor de Nationale Gedichtendag een gedicht, opgedragen aan Moeder, waarin het proces van herinneren centraal staat. De herinnering aan haar wordt vergeleken met ‘een goedmoedig wezen’ dat opstaat uit zijn winterslaap en daarin weer terugzinkt. Het speelt zich allemaal af aan de randen van het besef, zoals met veel gevoelens het geval is.

Het ‘voorlopig’ geeft aan dat herinneren moeilijk te benoemen is. En elke herinnering krijgt een eigen, bijna fysieke ‘gestalte’. Het einde van het gedicht valt samen met het einde van het proces; waarna het weer opnieuw begint. Steeds weer opnieuw. Als een ritueel.

Herinneren – noem het voorlopig
een goedmoedig wezen
dat na een winterslaap
opnieuw tot leven komt

zich wakker schudt, rondkijkt
vier benen in beweging zet
om straks ver mee te lopen
de dalen door, de flanken af

maar nu de licht ontdooide
aarde schraapt, snuft
aan blad van vorig jaar
– in dode hoeken, dicht opeen –

gaapt
tot achter in zijn keel en
uit de diepte van het lijf
een helse kreet uitstoot

die duurt, weerkaatst
breekt – wegsterft
opgaat in een groter niets
het landschap leger laat

zich steeds maar weer
ook onverhoeds
als ritueel in me herhaalt;
en zinkt weer weg in winterslaap.

 
 

Vorige reflectie: Een duivenroep 1          volgende vertelling: Mijn zus