Een zwaluwzwenk
1
Nog bijna nacht:
wat rek in de tijd,
er schuift iets tussenin
– niet echt onbekommerd –
dat zich een eigen plek verwerft.
Zomaar,
niet een geur, schaduw, tegenslag,
geenszins het verlorene
of wat gerangschikt bijblijft
als pijnlijk, tevergeefs;
nee, het doet geen grote moeite,
kijkt niet naar een zeedrift om,
heeft niets van radeloosheid,
ontwijkt zichzelf, heel anders dan verwacht,
wijst ter plekke niemand af – en
herbergt met ’n verloren gevoel
al wie zich onthutsend goed verdronk.
2
Nogmaals: het is er
– ergens, zomaar, buitengaats –
en nu ik dit nog eens belijn:
of we ook mentaal afwezig waren,
terzijde bleven, geen bedding vonden;
niets eromheen verheft een stem,
talmt, is open noch verschoven,
vrijwel blind en los van hinder
– het maakt geen ingebeelde reizen;
hooguit in een tekst of daaromtrent
is er een – ooit gegrond – vermoeden:
het zelden van een luwe uitrustplek,
een vederlicht moment
dat toeval blijkt, een zwaluwzwenk;
zich omzet in: het was maar even
– zich desondanks herhalen kan.
De avond valt, de zwaluwen zijn onderdak. En er fladderen intussen al vleermuizen rond, eenlingen of in kleine groepjes. Op een dag zwermen de zwaluwen weg, gaan vleermuizen overwinteren.
het zwaluwzwermen:
een ingeboren erfwonder
geeft hen richting aan
Ekaku Hakuin, Zenmeester, 1686-1768
Vorige vertelling: Tja. Ooit die winter. Toch. volgende reflectie: Een duivenroep 1
