Mooi onaf

1

Je naam vaak op mijn lippen, waar ’t om
gaat dikwijls op het puntje van mijn tong:
kalm wachten tot de zegging er plots is

over gebeurtenissen, onze gesprekken,
hachelijke momenten, je schaterlach,
uren van overpeinzing, die verbazing,
je felheid in een lastig discours — en

over je penseelvoering tekenlijnenspel
van een tweede naar je eerste natuur:
de openlegging van een taal in beelden

waarin vervoering de boventoon voert,
verdriet of angst ’n personificatie krijgt
die weergeeft wat geboekstaafd blijft:
een ziel die leven aan je oeuvre geeft.

Dat jij ooit (o die kanker) sterven ging,
doet er in dit verband niets aan af.

 

2

Jij: “Dat is in jezelf durven vertoeven,
je toevertrouwen aan het snel acryl
dat in vorm en kleur — een symbiose —
een weg vindt op het doek, steeds weer.”

— de varianten in herhaling, perpetuum
mobile of: een kluizenaar in contemplatie;
een aanschouwing van wat zichzelf creëert,

zich in je tot uitdrukking brengt, in je aardt,
de zin ervan uiten wil en dat jij bijna als een
gotspe (meestal) tot een goed einde brengt,
stevig inlijst, een rake titel geeft. En zie hoe

mooi onaf zo’n acrylnovelle geschreven kan
zijn: jij-Anne-Marie ten voeten uit; hoe een
episode is neergezet, recht van spreken heeft.

Dat jij hierin, je dood desondanks, gebleven
bent, daar gaat het om; en toch, ik mis je.

 
 

Vorig gedicht: Psychotherapie 4          volgend gedicht: Ja, stel je voor