Vader ― 1900-1984

Als kind al trof me
je bemoedigende stem,
hoe je kijken kon;
om jou zou ik geloven
in een leven na de dood.

De dood voegt niets toe:
langzaam breken je ogen
– en hun vraagtekens;
je verliest het onderscheid
tussen ons en een leegte.

Ik sta aan je graf
en besef dat ons verhaal
in mij verder leeft;
herfstblad van na je sterven
ligt vastgevroren, berijpt

Een langzame zee –
het lage licht op golven
gaat op in nevel;
tot in het diepst van de nacht
laat me wie je bent niet los.

Op den duur zie ik
aan de horizon een dorp
en een weg terug;
ondanks de dunne leugen,
je dood, blijf je daar wonen.

Van het licht was je
onvoorwaardelijk zeker,
ongeacht de nacht;
voorbij je weerloos sterven
blijf jij mij voor het leven.

Even zoek ik steun
bij je grafsteen, marmerwit,
blinkend in de zon;
ooit zat ik op je schouders
en vertelde honderd uit.

 
 

Vorig gedicht: Het water blauw          Volgend gedicht: Een zwaluwzwenk